EEN AMORELE TYCOON

Tiny Rowland A Rebel Tycoon door Tom Bower 660 blz., geïll., Heinemann 1993, ƒ 61.- ISBN 0 434 07339 3

De Britse zakenman Tiny Rowland was een van de meest opzienbarende geldmakers uit de jaren zestig en zeventig. Hij beheerste met een eigen straalvliegtuig het firmament en spande een relatienetwerk boven het Afrikaanse continent waarin hij vrijwel alle heersers van de nieuwe democratieën om zijn vingers wond. Hij steunde financieel en moreel de dekolonisatie van Afrika en presenteerde zichzelf als een 'white man' die wist wat goed was voor de toekomst van de 'black man'.

De Afrikaspecialisten van het State Department waren onder de indruk van de égards waarmee Rowland in Afrika behandeld werd en erkenden hem als een free lance diplomaat die het oor van de nieuwe Afrikaanse leiders had en niet behept was met de traditionele Britse superioriteitscomplexen. Rowlands pragmatische benadering van de Afrikaanse politiek, of ze nu Westers-georiënteerd sociaal-democratisch was of Kremlin-georiënteerd marxistisch, sprak de Amerikanen wel aan. Hij had een betere entree dan de Britse regering, die in het algemeen weinig van Afrikaanse politiek begreep. 'De terrorist van vandaag is de president van morgen', was een van Rowlands favoriete wijsheden.

Rowland (1917) verkocht projecten van duizelingwekkende omvang (een oliepijplijn van Mozambique naar Rhodesië), kocht mijnen op (koper, goud en smaragd), blies de oude handelsonderneming London-Rhodesië nieuw leven in en maakte fortuin door zich op het goede moment voordelig van zijn miskopen te ontdoen. Zijn specialiteit was bemiddelen en het ontwapenen van commerciële concurrenten. Rowland maakte begin jaren zestig naam door fusies tussen de Rhodesische Cam and Motor Mine en de Britse onderneming Rio Tinto tot stand te brengen. De vorstelijke vinderslonen die hij daarmee verdiende stelden hem al snel tot vermogensvorming in staat en legden de basis voor een onmetelijke rijkdom. Hij had een neus voor de aandelen- en effectenmarkt en handen die zilver in goud konden veranderen. Het vermogensbestanddeel dat hij in zijn Lonrho-jaren bijeenschraapte, wordt geschat op 100 miljoen Britse ponden.

Rowland was filantroop noch idealist. Volgens de financiële pers (inclusief zijn eigen zondagsblad The Observer, dat hij in 1981 van Astor had gekocht) deed Rowland alles uit geldzucht - of in de subtielere bewoordingen van zijn begaafde biograaf Tom Bower: de belangrijkste drijfveer in zijn leven was het maken van geld. Geld, aldus Bower, was voor Rowland een middel tot verwerving van aanzien, maar achter zijn sociale status (groot in Afrika, betwist in Engeland) ging 'een amorele gewiekste piraat' schuil. Het ene moment kon hij de innemende Afrikaanse mensenvriend spelen, om het volgende moment zijn vrienden zonder wroeging te laten doodvallen. Toen de berooide Joshua Nkomo, die voor de wraak van Mugabe op de vlucht was geslagen en op zijn kosten in een Londens hotel woonde, het regime in Zimbabwe kritiseerde, trok Rowland van de ene dag op de andere zijn gunsten in.

Rowland regeerde de multinational Lonrho als een tiran, die zijn raad van bestuur had onderverdeeld in jaknikkers en meelopers. Tom Bower, die Rowlands financiële transacties met een indrukwekkende hoeveelheid feiten heeft gedocumenteerd, schetst de (niet-joodse, Hitlergezinde) voormalige Duitse emigrant uit het Derde Rijk als een briljante financier, die een magistraal manipulator was en mensen van allerlei slag dank zij zijn uitzonderlijke innemendheid naar zijn hand wist te zetten. Zijn antipathie voor zijn concurrenten van het type Murdoch, Maxwell en Goldsmith, ging zover dat hij het Tory-hatende, regelmatig voor de rechter gesleepte satirische weekblad Private Eye financiële steun verleende om zijn advocaten te kunnen betalen. In zijn eigen guerrilla-campagne tegen het Britse establishment, dat hem nooit in zijn midden had toegelaten, bediende Rowland zich van alle 'dirty tricks' die al eens in de soap-serie Dallas waren toegepast.

Wie onder de betovering van Rowlands verkoopkunsten kwam, was met huid en haar verkocht. Daar was het deze onweerstaanbare charmeur ook letterlijk om te doen. Hij was een van de grootste omkopers aller tijden. Zijn motto was: 'Every man has his price'. Hij praktizeerde die leerstelligheid met even groot succes in Afrika als in Engeland.

Bowers boek geeft een waslijst van andermaal grondig gedocumenteerde douceurs waarmee Rowland zijn transacties smeerde. Zo vormde hij zich een grote vriendenkring onder Afrikaanse presidenten en presidenten-in-spe. Hastings Banda, de dictator van Malawi, werd voor rekening van Lonrho in een paleis geïnstalleerd. President Moi van Kenia kreeg een ongelimiteerd krediet bij de beste kleermakers van Saville Row, mevrouw Anwar Sadat, de weduwe van de vermoorde Egyptische president, kreeg een ziekenhuis ten geschenke. Machel, de president van Mozambique, mocht zijn zoon op kosten van Lonrho in Engeland laten studeren, president Kaunda van Zambia werd met goud behangen en Joshua Nkomo met gunsten overladen - zolang deze in goede doen verkeerde en zich inspande om de niet van politieke ambities gespeende Rowland het premierschap van Rhodesië te bezorgen.

FRAUDE

Rowland was geen slecht strateeg. Zijn ignorante mededirecteuren verklaarden hem voor gek dat hij zelfs het straatarme Malawi met zijn geld en charmes probeerde te ontginnen. Niemand zag iets in dat 'uninspiring netherland', maar Rowland beschouwde zijn aandacht voor dat onherbergzame Malawi als een van zijn beste investeringen. Door zich over dat nietige land te ontfermen, verzekerde hij zich niet alleen van de sympathie van alle andere Afrikaanse regeringsleiders, maar vooral van de toegang tot die heren.

Ook in eigen land deelde Rowland zijn bonificaties kwistig uit. In Londen huurde hij oud-Lagerhuisleden met een naam in de financiële wereld en het gemeenschappelijk etiket Old Etonians, die hij als pionnen aan Lonrho verbond: de advocaat Edward du Cann, oud-voorzitter van de Conservatieve Partij, de oud-minister Duncan Sandys, de schoonzoon van Winston Churchill en de adellijke Angus Ogilvy. Een met een strafrechtelijk onderzoek belaste politieman van Scotland Yard (Lonrho kreeg in tien jaar tijds vier maal de politie over de vloer, op grond van verdenking van wetsontduiking en fraude) werd als getuige opgekocht: Lonrho c.q. Rowland nam alleen genoegen met de beste beveiligingsexperts en lijfwachten.

Een van zijn grootste vangsten was Ogilvy, de tweede zoon van de graaf van Airlie, die als uithangbord in de directie van Lonrho werd opgenomen. Omdat Ogilvy bereid was als buffer voor Rowland op te treden om de andere directeuren onwetend te houden, werd hij beloond met Lonrho-aandelen en optiebewijzen die hem voor de rest van zijn leven vrij zouden houden van financiële zorgen.

Tom Bower heeft een brief uit de archieven opgedolven waarin Rowland op een kleffe toon door Ogilvy wordt bedankt voor de gunsten die hem zijn bewezen. Natuurlijk zou Ogilvy er wat voor terug doen: in de eerste plaats door prinses Alexandra van Kent, die als nicht van de koningin prominent op de erfopvolgingsladder stond, te trouwen. In de tweede plaats door de naar sociale verheffing snakkende Rowland op hun party's te inviteren en hem aldus binnen de gezichtskring van Buckingham Palace te brengen. Maar het koninklijke succes van Tiny Rowland alias de voormalige Hamburgse gymnasiast Walter Fuhrhop (die in 1934 lid van de Hitlerjugend was en in 1942 als Brits soldaat wegens nazi-sympathieen uit het Engelse leger werd ontslagen) was geen lang leven beschoren. Buckingham Palace zou hem nooit vergeven dat hij Ogilvy had meegesleept in zijn wheeler-dealeravonturen en hem niet had gevrijwaard van de schandalen waarin Lonrho onder zijn leiding regelmatig betrokken raakte. Toen de Foreign Office en de Britse veiligheidsdiensten erachter kwamen dat Lonrho het olie-embargo tegen het Rhodesië van Ian Smith grootscheeps had geschonden, werd Ogilvy discreet uit de directie verwijderd.

Op de discretie van Rowland zou hij echter niet kunnen rekenen. Die kon de wetenschap niet voor zich houden dat zijn koninklijke medefirmant zich jarenlang overdadig voor zijn geringe diensten had laten betalen. Rowland, wiens afkeer van de sociale soort van Ogilvy door de ingreep van het paleis extra werd geactiveerd, gooide alle geheimen op straat: hij stuurde de pers de bewijsstukken dat Shell en BP met medeweten van de regering (-Wilson) op nog grotere schaal het embargo hadden geschonden. Ten slotte moest ook de hertog van Edinburgh eraan geloven: die spande, wist Rowland met stelligheid, met Margaret Thatcher en het hele regeringsapparaat van Whitehall samen om te voorkomen dat hij in het bezit zou raken van het beroemde warenhuis Harrods, de parel in de kroon van de keten House of Fraser.

De onverkwikkelijke geschiedenis van dat tien jaar durende gevecht heeft Bower even magistraal als meeslepend beschreven.

    • H.A. van Wijnen