Duitsland: Volkswagen-model verdeelt meningen

BONN, 20 NOV. Korter werken in Duitsland om de recessie te boven te komen en massa-ontslagen te vermijden? Nu een voor veel Duitsers ongewone recessie in 1994 waarschijnlijk zal aanhouden en dat jaar bovendien niet minder dan 19 verkiezingsdagen brengt, heeft dit drukbesproken thema ook al een hoge politieke gevoeligheidsgraad gekregen. Sinds de Volkswagen-directie vorige maand haar plannen voor een vierdaagse werkweek als alternatief voor massa-ontslagen lanceerde, variëren in bedrijfsleven en politiek de meningen van streng afwijzend tot bijna jubelend.

De oppositionele SPD bijvoorbeeld liet deze week op haar vierdaagse congres in Wiesbaden bij monde van partijvoorzitter Rudolf Scharping en diens financieel-economische woordvoerder Oskar Lafontaine hun grote waardering voor het VW-initiatief blijken. Volgens hen, en sinds deze week ook volgens het SPD-verkiezingsprogramma, moeten werktijdverkorting en een betere verdeling van het beschikbare werk het antwoord zijn op de recessie en ontslaggolven. Bij een werkloosheidscijfer dat in 1994 de 4 miljoen zal passeren (op ruim 29 miljoen banen) en dat “in feite al 5 miljoen is” dreigt “anders ook de politieke stabiliteit van het land in gevaar te komen”, waarschuwde Scharping.

De opvattingen over het VW-model botsen niet alleen hevig, het heeft ook een vrij wonderlijke voorgeschiedenis. Immers, begin dit jaar trokken VW's nieuwe chef Piëch en de door hem bij concurrent General Motors weggehaalde Baskische “supersaneerder” José Igancio Lopéz de aandacht met heel andere plannen. Zij zouden hun plotseling zo noodlijdende concern (1,5 miljard mark verlies over de eerste helft van '93) krachtig afslanken, lean and mean maken, de produktiviteit dramatisch verhogen, liefst tot een Japans niveau, en hun toeleveranciers bij de keel grijpen door lagere prijzen en kortere levertijden te eisen. Kortom: Pïech en Lopéz kondigden een overwinning in de derde industriële revolutie aan op het “eigen” terrein van de Japanse concurrentie.

Ruim een half jaar heeft de VW-top nu, mede onder druk van de regionale SPD-premier Gerhard Schröder van Nedersaksen (de deelstaat die met 20 procent grootaandeelhouder is), een korter-werkenmodel gelanceerd dat het ontslag van 30.000 mensen moet voorkomen en wordt geprezen om zijn “sociale” kwaliteit. Die lof komt, het verbaast niet echt, vooral van de vakbeweging en de SPD. Waarbij aandacht trekt dat zij lineaire inkomensoffers van werknemers afwijzen (dus niet 20 procent minder inkomen voor 20 procent minder werken) en in plaats daarvan pleiten voor gedeeltelijke compensaties uit de algemene middelen. Of, zoals Oskar Lafontaine het zegt, aanvulling van het loon langs die weg is goedkoper dan ontslagen werknemers een werkloosheidsuitkering betalen.

Heeft de dorpsomroeper in de VW-stad Wolfsburg nu alsnog zijn bezwaar tegen de uitvinding van de boekdrukkunst gehonoreerd gezien? Zou een dergelijke aanvulling in plaats van kostendaling niet een stijging van de reële kosten meebrengen, zij het op een andere manier gefinancieerd, namelijk uit de algemene middelen? Betekent het op een fundamentele koerszwenking lijkende model van de VW-top nu dat het bedrijf toch terugschrikt voor een op zichzelf onvermijdelijke sanering en een aanpassing aan harde wereldmarkt-eisen die in Japan en de VS worden bepaald? Die vrees leeft zeker in de Duitse regeringscoalitie en bij de werkgevers, waar de tijdelijkheid, het speciale karakter van het VW-plan en de bijzondere positie van Europa's grootste autoproducent bijna dagelijks worden benadrukt.

Niet korter, maar langer en goedkoper werken, niet meer vrije tijd maar meer produktiviteit moet Duitsland uit zijn structurele crisis helpen, zeggen zowel kanselier Helmut Kohl en minister Günter Rexrodt (FDP, economische zaken) als de industriële werkgevers. Kohl, intussen elf jaar kanselier en derhalve niet iemand die de door hem zorgelijk besproken toestand als een soort onverwacht natuurverschijnsel kan beschrijven, klaagt over te hoge kosten en het te lage niveau van vakmanschap in Duitsland. Daarnaast zou het land zijn machinepark niet goed gebruiken, een overmaat aan stricte regelingen kennen, daardoor te weinig flexibel zijn en bovendien te veel op een collectief Freizeitpark lijken. Vooral die laatste opmerking, gemaakt bij een snelle werkloosheidsontwikkeling in de richting van 4 à 5 miljoen, heeft de vakbeweging en de SPD razend gemaakt.

Elders in de auto-industrie wordt ook niet enthousiast op het VW-model gereageerd. Opel-directeur David Herman bijvoorbeeld keurt het vierkant af: “De vierdaagse werkweek volgens dat model is het verkeerde antwoord op de structurele crisis in de Duitse auto-industrie en leidt af van de princiële noodzaak om kosten te beperken en de produktiviteit te verbeteren”. De chef van de Duitse dochter van General Motors zei dat niet zomaar, hij kon melden dat hij met de werknemers net een akkoord had bereikt waarbij Opel het personeelsbestand met 6.000 inkrimpt (tot 48.800 per eind '93) terwijl de lonen tot 1997 niet met meer dan 2 procent mogen stijgen. Mocht de vakbond IG Metall voor de auto-industrie hogere CAO-verhogingen bedingen, dan krijgen de werknemers van Opel daarvan maar een deel dat eventueel in kortere werktijd wordt uitgedrukt.

Hoe reageert de Bondsrepubliek, die haar “sociale-markteconomie” tot nu toe als een soort geloofsartikel kende, op de diepste recessie in haar bestaan? “Sociaal” of “economisch”? Dat lijkt in het grote, nerveuze politieke en maatschappelijke debat nu al de belangrijkste vraag geworden, wat er dadelijk ook van het VW-plan mag worden.