DE TIRANNIE VAN LEUK EN LIEF

Meeting at the Crossroads. Women's Psychology and Girl's Development door Lyn Mikel Brown en Carol Gilligan 258 blz., Harvard University Press 1992, ƒ 48,60 ISBN 0 674 56464 2

De vraag Was will das Weib blijft de mensheid boeien. Een van de auteurs van Meeting at the Crossroads, Carol Gilligan, werd de afgelopen jaren wereldberoemd door haar In a Different Voice. Psychological Theory and Women's Development (1982), een sociaal-psychologische studie over verschillen tussen de seksen op het vlak van morele attitudes. Gilligan dankt haar faam overigens ten minste zozeer aan de kritiek die haar beweringen te beurt viel, als aan de instemming. Onder feministen bijvoorbeeld (en daaronder rekent de populaire Harvard-professor ook zichzelf) zijn haar beweringen omstreden. Sommigen zien Gilligan als een reddende engel in een woestijn van dor individualisme, anderen juist als de moderne vertolkster van een eeuwenoude vrouwvijandige traditie. Buiten kijf staat dat haar onderwerp in brede kring aansloeg; er leeft in deze postmoderne tijden kennelijk een grote behoefte aan discussie over morele waarden. De vele hedendaagse debatten rond een 'zorg-ethiek' zijn in hoge mate door Gilligans werk geïnspireerd.

In a Different Voice (zojuist weer in herdruk verschenen - bij Harvard University Press - en voorzien van een nieuw voorwoord) kwam kortweg neer op de stelling dat vrouwen er een andere moraal op na houden dan mannen. Dat zeiden Freud en een lange stoet filosofen en theologen natuurlijk ook al, maar zij bedoelden dat denigrerend. Gilligan draaide hun waarde-oordeel om. Daarbij richtte ze haar pijlen niet zozeer tegen Freud als wel tegen de moderne ontwikkelingspsychologie van met name Lawrence Kohlberg, volgens wie het hoogste stadium van morele ontwikkeling erin bestaat dat men zich laat leiden door abstracte morele principes. Vrouwen komen in tests die op dit schema zijn gebaseerd slecht uit de bus, maar Gilligan liet met haar onderzoek zien dat hun lage score niet op objectieve metingen was gegrond maar op male bias. Volgens haar hebben vrouwen geen 'lagere' morele normen maar andere en zelfs betere: vrouwen redeneren meer vanuit mensen en relaties dan vanuit principes en ze redeneren meer contextueel dan abstract; hun morele leidraad zou niet allereerst rechtvaardigheid zijn maar zorg.

Ik heb altijd wat moeite met dit soort generalisaties; in plaats van de gangbare 'vrouwelijkheid' te verheerlijken zou je die beter kunnen verklaren, en daartoe lijkt het vruchtbaarder de vrouwelijke psyche niet moreel maar historisch en sociologisch te bezien. Zijn al die mooie gevoeligheden niet veeleer de verworvenheden-tegen-wil-en-dank van een ondergeschikte groep? Hebben we hier te maken met bewuste morele keuzen of met de produkten van een sociale positie die vrouwen van jongs afaan dwong rekening te houden met andermans wensen? En bovendien: hebben vrouwen niet ook nogal vaak last van hun 'beheptheden'?

OMMEKEER

Gelukkig lijkt ook Gilligan nu, in haar nieuwste werk, geschreven samen met opvoedkundige Lyn Mikel Brown, de keerzijde van de vrouwelijke psyche te hebben ontdekt. Sterker nog: het is wat flauw dat de auteurs hun onderzoek tooien met de term 'A Journey of Discovery', want in feite is hier sprake van een radicale ommekeer.

Meeting at the Crossroads is gebaseerd op een langlopend intensief onderzoek onder (ongeveer honderd) Amerikaanse schoolmeisjes - witte meisjes vooral, meest afkomstig uit gegoede milieus. Het gaat dus (en dat gold ook voor In a Different Voice) over de psychische kenmerken van pubers uit een bepaald segment van onze westerse cultuur, die opgroeiden met de daar dominante ideaalbeelden aangaande de seksen. Maar dat maakt de relevantie ervan niet minder.

Door die meisjes eerst te interviewen rond hun zevende jaar, en hen daarna te volgen, kunnen Brown en Gilligan laten zien welke veranderingen zich tussen kindertijd en adolescentie voordeden in de morele en gevoelshuishouding van hun gesprekspartnertjes. De gesprekken en hun analyses daarvan werden door de onderzoeksters steeds toegespitst op kwesties als: hoe gaan ze om met andere mensen; hoe zien ze zichzelf; wat doen ze met conflicten? Wat daaruit naar voren komt levert geen opzienbarend nieuw beeld op van 'het tienermeisje', maar is in al zijn gedetailleerdheid zeker informatief en soms zelfs aangrijpend. De New York Times Book Review recenseerde het boek onder de kop 'Hoe meisjes slapperds worden', en zo is het precies. Er blijft weinig over van de eerst zo zelfbewuste kinderen.

Neem Neetie. Zij vertelde toen ze zeven was dat ze uit kamperen was geweest met een grote groep kinderen onder wie haar neefje. Onder het motto: 'Wat hebben we het hier toch fijn allemaal', had de kampleiding de kinderen verboden naar huis te bellen. Maar Neeties neefje had heimwee en wilde toch met thuis praten. Neetie was bij de leiding voor hem opgekomen. Dat had ze eng gevonden en het had haar geen prettige faam bezorgd, maar ze kon niet anders, meende ze, want haar was duidelijk geweest dat het neefje zich ongelukkig voelde. Zijzelf niet overigens.

Vijf jaar later zou Neetie, naar eigen zeggen, zoiets niet langer doen. 'The Tyranny of Nice and Kind', waaraan meisjes zich dan vol ijver onderwerpen, zou haar doen beseffen dat je niet op de voorgrond hoort te treden en dat het als vervelend of zelfs 'rude' wordt beschouwd als je mensen tegenspreekt. 'Je mag mensen niet kwetsen, het is beter niet te laten merken wat je vindt', legt Neetie uit. Ze zou de werkelijkheid aan haar gezeglijkheid hebben aangepast. Het is zelfs de vraag of ze conflicten (leiding/neefje/haarzelf) en verschillen (zoals tussen hoe zijzelf en haar neefje het kamp beleefden) zo helder zou zien als ze op haar zevende deed. Volgens Gilligan en Brown is dat namelijk precies wat de meisjes kwijt raken: de kunst kwaadheid of ergernis van zichzelf en anderen als normaal te accepteren, en het vermogen om te gaan met het feit dat mensen vaak conflicterende wensen hebben. Trots melden de meisjes onderling nooit onenigheid te hebben, 'want wij willen altijd hetzelfde'.

FLUIT

Een prachtig verhaal is dat van de kleine Diana, die aan tafel een paar keer meemaakte dat haar broertjes en zusjes haar interrupteerden, en toen besloot een fluit aan haar bestek toe te voegen; als ze iets wilde zeggen, blies ze - een afdoende methode om de aandacht te krijgen. Het is helaas niet zo dat ze dat doel vijf jaar later met verfijnder middelen weet te bereiken. In plaats van met een fluit aan tafel te gaan, doen meisjes er dan het zwijgen toe. Het is niet 'nice' om 'selfish' te zijn, en al helemaal niet om lawaai te maken. Waar de meisjes toen ze zeven waren frank en vrij hun ferme kindermeningen te berde brachten, krijgen de interviewsters later telkens te horen: ik weet niet. Zelfs hun spraak veranderde: hun stem is zachter, ze houden een hand voor hun mond, ze spreken van 'je' ook als het over 'ik' gaat, ze kijken de interviewer niet aan en er zitten veel lachjes tussen de tekst.

Wat ze op hun dertiende aan relationele subtiliteit hebben gewonnen, is aan authenticiteit verdwenen. Ze hebben van hun volwassen rolmodellen afgekeken dat je je verlangens en gevoelens moet verbergen en vervormen. De cruciale paradox in de ontwikkeling van de meisjes is, concluderen de schrijfsters, dat ze omwille van contact met anderen het contact met zichzelf verliezen. Aardig zijn betekent, blijkens de formuleringen van de geïnterviewden: je eigen wensen opgeven, geduldig en meegaand zijn, kritiek inslikken en iedereen te vriend houden. Want het ergste is wel: niet aardig gevonden worden en dus alleen zijn. 'Nice girls make more friends', zegt Tina, en nice is dat wat hen als standaardmodel van vrouwelijke perfectie wordt voorgehouden. Wat das Weib will weet ze dus uiteindelijk zelf niet meer.

Brown en Gilligan benoemen dit verlies aan contact met de eigen behoeften en dit proces van onafgebroken afsplitsing van de eigen gevoelens, met de termen trauma en dissociatie. Dat is zwaar aangezet, maar dat zo'n geestelijke amputatie schadelijk is, lijdt geen twijfel. (Het belang van het thema wordt ook bevestigd door de literatuur over vrouwenklachten, of het nu gaat om alledaagse werkproblemen of om psychische stoornissen als depressie en angst.) De wereld krijgt voor de meisjes een schimmig aanzien, want ze beseffen heel goed dat ook de anderen niet zeggen wat ze denken. Sommige meisjes vrezen zelfs gek te worden. En dan gaat het nota bene over meisjes in prima omstandigheden, die het goed doen op school en die in de ogen van hun ouders en leraren in alle opzichten gezond en geslaagd zijn. Afgezien van dat meisje dat een anorexie ontwikkelde.

GESCHOKT

De vraag die zich bij lezing van Meeting at the Crossroads opdringt is: is het echt nog steeds zo erg? De hedendaagse vrouwelijke tiener lijkt mij namelijk nogal eigenzinnig, en die eigenzinnigheid lijkt ook te worden gewaardeerd. Of is het specifiek Amerikaans? Helaas vertoont het beeld dat oprijst bij Brown en Gilligan, treffende (en deprimerende) overeenkomsten met de Nederlandse schoolmeisjes die Mieke de Waal in 1989 beschreef in haar dissertatie Meisjes: een wereld apart. De Waal is antropoloog en haar observaties betroffen dan ook meer het uiterlijke dan het innerlijke conformisme, en vooral de druk van de peergroup. Toch had het zo geliefde 'leuke meisje' uit De Waals typologie de tweelingzus kunnen zijn van de 'nice girl' die hier ieders voorbeeld vormt.

Brown en Gilligan tonen zich geschokt over het grote aandeel dat juist vrouwen - moeders en leraressen speciaal - in deze verminking blijken te hebben. Maar of het nu om clitoridectomie gaat of om mildere aanpassingen, we weten toch allang dat het vaak de (groot)moeders zijn die dat hun (klein)dochters aandoen? Pas nog voegde mijn schoonmoeder haar lawaaiige kleinkind toe: als je zo vervelend blijft, krijg je nooit een man. Ik vind die geschoktheid dus wereldvreemd, maar ze ligt natuurlijk wel in het verlengde van Gilligans voormalig optimisme over de vrouwelijke zorgzaamheid. Op dit soort discrepanties gaan de schrijfsters merkwaardig genoeg niet in. Ook het (concurrerende) werk van feministische psycho-analyticae als Nancy Chodorow, die op een veel vroeger moment dan rond het tiende jaar bij meisjes (en jongens) emotionele inperkingen constateerde, laten zij helaas buiten beschouwing.

Meeting at the Crossroads vertoont alle nadelen van het genre 'psychologie-op-z'n-Amerikaans'. De stijl is een mierzoete mix van psychobabbel, Libelle en EO, en in theoretisch opzicht stelt het allemaal weinig voor. In het slothoofdstuk wordt bovendien verslag gedaan van een zalvend-agogisch project dat als resultaat had dat moeders hun dochters die 'op het kruispunt' staan tussen kind- en vrouw-zijn, minder in de steek lieten. Maar eind goed al goed is in dit geval wel erg ongeloofwaardig. Wat Meeting at the Crossroads niettemin de moeite waard maakt zijn de meisjes zelf.