De lekkere pijn; Tien jaar Argentijnse democratie

Argentinië, het land van junta's en verdwenen burgers, van de hyperinflatie en de astronomische staatsschuld is bijna tien jaar een democratie en lijkt op weg te zijn naar economisch herstel. Sommige Argentijnen zijn sceptisch: pluk de dag, zeggen zij, want je weet nooit wanneer vroeger terugkomt. De tango en de vuistdikke biefstukken zijn in elk geval nooit weggeweest. Volgende week brengt president Carlos Menem een officieel bezoek aan Nederland.

Sala 2 van bioscoop Normandie zit vol jonge Argentijnen in spijkergoed. Een grijze heer manoeuvreert moeizaam met een plateau caramelos-bonbones-helados langs de rijen. Ondanks Jurassic Park blijft de film Tango Feroz ('Woeste tango') in Buenos Aires een kassucces. Het is een Spaans-Argentijnse low budget-produktie over de student/rockzanger Tanguito die aan het eind van de jaren zestig zijn eerste plaatje opnam: El amor es muy fuerte ('De liefde is sterker').

Het waren de woelige jaren die voorafgingen aan de terugkeer van oud-president Perón uit ballingschap (1973). Extreem-linkse groeperingen als de Montoneros en het militaire regime van generaal Onganá terroriseerden elkaar wederzijds met ontvoeringen, bomaanslagen en executies. De universiteit was, afhankelijk van de optiek, de enige hoop op een nieuwe maatschappij of een kweekvijver van subversieven.

Meer dan één plaatje zou Tanguito niet maken. Zijn bandgenoten ruilden hun marxistische idealen in voor een baan in de burgermaatschappij. Hijzelf wilde zich niet conformeren. Hij belandde eerst in een militaire gevangenis en vervolgens in een gekkengesticht. Op de dag dat hij daar ontsnapte, kwam hij onder een goederentrein.

Popmuziek tegen de Argentijnse dictatuur - dat thema is na twintig jaar niet langer illegaal en verklaart misschien de volle zalen. Maar dat is niet het enige dat het jonge bioscooppubliek hier te zien krijgt. Zijn die militairen en marxisten uit de film niet gewoon de Argentijnse rolbezetting van het generatieconflict dat in de hele wereld speelde? Een Argentijnse variant op flower power en Provo? Zo bezien heeft deze flash-back voor de zaal een geruststellende conclusie: ondanks zijn bloedige geschiedenis is Argentinië ook altijd een normaal land geweest.

Dictator Perón kwam en ging. De junta's kwamen en vertrokken. En de 'Dwaze Moeders' met hun hoofddoekjes en opgespelde foto's sjokken al jaren elke donderdag hun rondjes tegenover het presidentieel paleis, maar dat is onvermijdelijk folklore aan het worden; hun ontvoerde zonen zullen zij niet terugzien.

Argentinië is bijna tien jaar een democratie. De peronisten zijn in 1989 teruggekeerd aan de macht en prediken nu de vrije markt in plaats van overheidscontrole. De hyperinflatie is beteugeld, de astronomische staatsschuld wòrdt beteugeld en handel en nijverheid leren opnieuw bij de tijd te zijn. De burger betaalt weer belasting en spaart in plaats van zijn geld in het buitenland onder te brengen.

'Argentinië is klaar om de Derde Wereld te verlaten'', zei president Carlos Menem vorig jaar. Daar is Argentinië wel vaker klaar voor geweest, maar echt goed gelukt is het nooit. Is de oogst van het menemisme duurzaam, of staat het Argentijnse rad van fortuin alleen maar eventjes gunstig, om morgen door te draaien - dat is een open vraag.

Waar ligt Buenos Aires? Op het zuidelijk halfrond, waar de Zilverrivier traag overgaat in de Atlantische Oceaan, zegt de kaart, maar dat is gezichtsbedrog. Voor de bewoners van de pampas, de hoogvlakten en de uitlopers van het Andes-gebergte ligt Buenos Aires nog steeds heel ver stroomafwaarts. Het is de plaats waar de wol, het graan, het leer en het vlees per schip uit het zicht verdwijnen.

Het is een oud perspectief. Want Argentinië werd niet vanuit zee gekoloniseerd, maar vanuit Peru en Bolivia. Daarheen liepen de oude handelsroutes. Buenos Aires, dat was alleen maar 'de haven', een nieuwerwets idee en een noodzakelijk kwaad. Daar woonden trouwens geen echte Argentijnen maar anonieme porteños.

Voor de anderen is Buenos Aires de spil van het land. Voor hen begint Argentinië bij het Casa Rosada waar de president zijn bureau heeft, de zee ophoudt en de Avenida de Mayo ontspringt. Van daaruit vertakken zich stervormig de wegen, spoorrails, vliegroutes, telefoondraden en straalverbindingen die de provincies bij de les houden.

Nog tot het begin van deze eeuw domineerde de eerste visie, die van de provinciale machthebbers, de caudillos. Van hen moest Argentinië een losse federatie blijven. Maar het centralisme en het nationalisme van de porteños won. Zij geloofden dat hun land niet uitgeleverd hoefde te worden aan de grillen die wol, vlees en graan op de wereldmarkt vertonen. Zij geloofden evenzeer dat het recht had op een eigen industrie in plaats van afhankelijk te zijn van buitenlandse importgoederen. Argentinië, in het eerste kwart van deze eeuw één van de rijkste landen ter wereld, zou op eigen kracht, of die van een sterke man, gelukkig worden. Maar die beloftes kwamen zelden uit.

'Wij moeten naar de toekomst kijken'', zegt president Menem voortdurend, maar daaraan is zijn volk nog niet gewend. Het kijkt liever om. Hoe kon een land dat zó rijk is, zó aan lager wal raken? Die vraag heeft men er altijd graag gesteld en het antwoord was eenvoudig. Afhankelijk van het tijdsgewricht kregen de schuld: de krach van 1929, de oliecrisis, de vakbonden, de grootgrondbezitters, buitenlandse kapitalisten, de Tweede Wereldoorlog, Perón, de democratie, of de militairen.

Nu stijgt de welvaart onmiskenbaar - in de macro-economische statistieken althans, want het huishoudboekje is weer iets anders - maar niemand lijkt precies te weten waaraan dat is te danken. Zijn het de gevluchte miljarden die terugvloeien en de belastingopbrengsten, zoals de minister van financiën zegt te geloven? Is het een kortstondig vreugdevuur dat wordt gestookt met de opbrengst van de massale privatiseringen - 'de uitverkoop van staatseigendommen'' - zoals de pessimisten beweren?

Aan de exportwinsten kan het in elk geval dit keer niet liggen, want voor de Argentijnse wol is maar weinig belangstelling en langs de kusten van Europa zwerven vriesschepen met onverkoopbare Argentijnse T-bone steaks. Waarom zou iemand voor kunstmatig dure, want aan de dollar vastgeklonken pesos graan komen kopen als het in Frankrijk en Canada goedkoper is?

De 'nachtegaal van Buenos Aires' is gestorven bij een vliegtuigongeluk in 1935, maar ontvangt nog elke dag post en bezoek. 'Gracias, Carlitos!'' hebben tientallen Carmens, Zulema's en Rosita's en een enkele anonieme 'eeuwig-trouwe aanbidster van je stem'' in bronzen plaquettes op zijn graf laten aanbrengen. Carlos Gardel, de 'koning van de tango', is niet alleen de beroemdste bewoner van het reusachtige kerkhof La Chacarita, maar een heilige.

Hij staat op de hoek van een geasfalteerd kruispunt in de necropool, die met zijn vierkante stratenrooster en genummerde blokken een Buenos Aires-in-het-klein is. In zijn bronzen knoopsgat steekt elke dag een verse anjer. Hij glimlacht naar de eeuwig langsrijdende auto's, waarvan de inzittenden een kruis slaan. Men brandt geen kaarsjes voor hem, maar steekt een sigaret in de hand die hij aan zijn vest houdt.

De tango was oorspronkelijk een rauw soort dansmuziek uit de achterbuurten met wortels in de cultuur van de gauchos (Argentijnse cowboys) en in Caraïbische dansritmes. Gardel was een populist. Van de tango maakte hij in de jaren twintig een consumptie-artikel. Een lied over het echte leven, maar dan met een laagje suiker. 'Als op een dag de smart je kwelt zoals mij nu, ga dan naar de plek waar ik je op een middag heb ontmoet, en bedenk dan op dezelfde vertrouwde bank waar wij tweeën samen droomden, dat iemand net zo van je heeft gehouden als ik.''

Nostalgie hoort bij de tango. De 'geliefde', 'de droomplek', het 'Buenos Aires van vroeger' - het is heel erg dat die er niet meer zijn. Maar het is ook wel prettig, het is de lekkere pijn van krabben aan een korstje.

Ritsaert Klapwijk heet nu Ricardo. Drie jaar geleden reisde hij nog als hoofd bouwzaken van het ministerie van buitenlandse zaken de wereld over om ambassades aan te passen aan Haagse eisen. Toen besloot hij dat het tijd was voor een beslissende wending in zijn leven. Nu danst hij met geplakt haar tango's in Buenos Aires samen met zijn Duitse vrouw.

'Ricardo y Nicole' treden elk weekeinde op in een paar kleine gelegenheden buiten het centrum. Toeristen vindt men er niet, en voor hun 'halve manen' en 'achten' hebben zij niet veel meer dan een paar vierkante meter tot hun beschikking. Maar die hebben zij minder nodig dan de waardering van de paar tango-grootmeesters die zij begeleiden, vinden zij.

Hun jongste choreografieën maakten zij voor het gelegenheidsorkest van Daniel Piazzolla, zoon van de in juli 1992 overleden bandoneón-speler, componist en orkestleider Astor Piazzolla. Wereldberoemd was hij, maar niet in Argentinië, waar hij sinds zijn experimenten uit de jaren zestig en zeventig met Europese en Amerikaanse musici doorging voor een gevaarlijke nieuwlichter. Hij had de tango verkocht aan de jazz, ja, er muzak van gemaakt.

Toen hij stierf, had hij bijna twee jaar in coma gelegen na een hersenbloeding. In eigen land kwam de waardering te laat. Het applaus dat nu opklatert als Daniel in een tangobar in Buenos Aires de eerste maten inzet van Un dia de paz en Balada para un loco is in hoge mate plaatsvervangend.

'Ik ben vertrouwd met architectuur, Nicole is grafisch ontwerper'', zegt Ricardo. 'Als wij een dans maken, denken we automatisch in expressieve lijnen. Misschien dat ze ons daarom goed vinden. Er zijn weinig Argentijnse jongeren die iets vernieuwends doen met de tango. Voor de meesten is de tango trouwens iets van vroeger. De veranderingen komen hier altijd uit het buitenland.''

Toegegeven, in het stemhokje kijkt er geen soldaat over je schouder. En de rijkgeschakeerde pers kan schrijven wat zij wil - als zij de sporadische intimidatie door knokploegen op de koop toe neemt. Intussen beschikt de president over ongekende volmachten. Zoals het regeren per decreet, waarvan hij sinds zijn benoeming honderden keren gebruik heeft gemaakt - vaker dan de laatste drie regeringen bij elkaar, inclusief de militaire.

Als het aan de president ligt, wordt zijn armslag nog groter. Zijn liefste wens lijkt inmiddels vervuld te worden: een hervorming van de grondwet waarin het huidige verbod op herverkiezing van een zittende president wordt opgeheven. Wie die gelukkige moet zijn, staat voor Menem wel vast.

Een ander voorbeeld is zijn poging om het Hooggerechtshof tot een politiek instrument te maken. Vorig jaar breidde hij het aantal rechters van het Hof uit van vijf naar negen. Op de nieuwe stoelen benoemde hij - onder een storm van protest - politieke bondgenoten. In september bewees 'Menems factie' in het Hof de president inderdaad een dienst door een vonnis te laten 'verdwijnen' dat de regering onwelgevallig was, omdat het de staat een schadeschadepost van miljarden dollars zou kunnen bezorgen.

Maar het Hof raakte na het onvermijdelijke uitlekken van de manoeuvre in diskrediet. Zo kon Menem de belangrijkste oppositiepartij, de UCR van oud-president Alfonsn, aanbieden om ook enkele leden in een nieuw samen te stellen Hof te benoemen, in ruil voor parlementaire steun aan zijn voorstel voor de grondwetswijziging. Het principe van 'politieke benoemingen' in het Hof zou daarmee in dezelfde moeite geaccepteerd zijn.

'In praktijk is er nog steeds weinig respect voor de scheiding tussen de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke machten'', zegt de Argentijnse historicus Felix Luna. 'Argentinië is slechts in naam democratisch.''

Menem noemt zichzelf een peronist. Zou Juan Domingo Perón - de peetvader van de 'derde weg' naast kapitalisme en communisme - zichzelf nog herkennen? Menems pleidooi voor een 'slanke overheid', het vrijlaten van de markt en het omarmen van buitenlands kapitaal zou de generaal als een vloek in de oren geklonken hebben. Maar voor Menems kennis van de Argentijnse psyche zou hij wel waardering hebben. Want ook Menem heeft het klaargespeeld groeperingen die elkaar onderling wantrouwen achter zijn vlag te verenigen, en morrende delen van de samenleving - de militairen, de gepensioneerden, de allerarmsten - weet hij altijd precies op tijd met een bonus van de staat gerust te stellen.

Menem heeft nog een talent dat Peron zou waarderen: oog voor bruikbare mensen. Domingo Cavallo, de in Harvard opgeleide minister van economie, is in zekere zin een uitvinding van Menem. De mens Cavallo is niet bijster geliefd. 'Hij is niet in staat iets te begrijpen wat buiten de mal valt die hij zelf heeft gemaakt. Hij is belust op macht en arrogant, een caudillo'', zegt Eduardo van der Kooy, politiek commentator van de grote krant Clarn. 'Afgezien van de ideologie vertoont hij, een beetje sterk uitgedrukt, alle kenmerken van een fascist.''

Hoewel Argentijnen nooit bang zijn geweest iemand te kiezen die precies weet wat het beste is voor het volk, maakt Cavallo als presidentskandidaat weinig kans, niet tot ongenoegen van zijn chef. Maar de minister Cavallo is de populairste politicus van het land. Want hij is het die de gekmakende inflatie bedwong. Voor het eerst sinds jaren weet men wat het geld waard is en is er rust om het economisch potentieel van het land verder te ontwikkelen.

Zo vormen zij een knap duo, waarbij het charisma van de populistische president de paardemiddelen uit de IMF-apotheek die de technocraat voorschrijft verteerbaar maakt. Toch bleek vorige maand hoe dun het ijs is waarop Argentinië schaatst, toen de president voor een gevaarlijke operatie aan een halsslagader plotseling in het ziekenhuis werd opgenomen. De beurs huiverde en de burger huiverde mee. Want dat Menems opvolgers minder radicale opvattingen over de vrije markt zullen koesteren staat wel vast.

Cavallo is nu mordicus tegen een devaluatie van de te dure peso om de concurrentiepositie van de Argentijnse landbouw en industrie te vergroten. Als ze beter willen concurreren, moeten ze maar efficiënter leren werken, is zijn motto. De senatoren en gouverneurs die nu kandidaat zijn voor Menems opvolging, hebben zulke sterke banden met die sectoren in de samenleving - of zulke zwakke knieën - dat ze aan een devaluatie waarschijnlijk geen weerstand kunnen bieden. Dat zou het bouwsel aan het wankelen brengen nog voor het metselwerk droog is, betoogde The Economist vorig jaar.

De defensiebegroting is met de helft ingekrompen. Maar dat betekende vooral ontslag voor gewone soldaten, zoals de talloze Falklands/Malvinas-veteranen die nu - medailles op de borst - bij stoplichten in Buenos Aires papieren zakdoekjes verkopen. Het leger verloor vooral geldverslindende gadgets, zoals de Condor-raket en het nucleaire programma. Voor modernisering van de strijdkrachten en loonsverhoging voor opstandige officieren is echter nog steeds geld beschikbaar. Leger, marine en luchtmacht hebben hun drie ministersposten behouden.

Hoewel harde gegevens ontbreken over de budgetten van de militaire en paramilitaire inlichtingendiensten - de voorhoede van de 'Vuile Oorlog' (1976-'83) - geloven velen dat ook die door de huidige regering ontzien worden. Of de 'repressieve structuren' volledig intact zijn gebleven, zoals de linkse pers volhoudt, is moeilijk te bewijzen. Dat sommige sectoren binnen de overheid de burgers in de gaten houden, is wel duidelijk.

In juni en juli van dit jaar moest de minister van binnenlandse zaken nog een schandaal sussen dat was ontstaan nadat de federale politie in een aantal provincies vragenlijsten had laten circuleren waarin hoofden van scholen werd gevraagd een 'ideologisch profiel' te schetsen van leerlingen in de hoogste klassen en de aanwezigheid van 'subversieve boeken' in de bibliotheek.

Maria, een jonge stedebouwkundige uit de provincie Catamarca. 'Bij ons praat niemand meer over de dictatuur. Ten eerste omdat die vooral iets van Buenos Aires was en minder van het platteland. Maar anderzijds is iedereen bang. De mensen vieren feest, maar ze leven voor het moment, omdat je nooit weet wanneer het terugkomt. Als ik bedenk dat mijn zoon van één dat allemaal zou moeten meemaken, sterf ik van angst.''

De winkelstraten Lavalle en Florida puilen uit van de geïmporteerde computers, draagbare telefoons en faxen. Toch lijkt de nieuwe welvaart beperkt tot een relatief kleine groep in de steden. Op het platteland, vooral in de westelijke provincies, is de armoede alleen maar toegenomen, al is het verschil tussen arm en rijk vanouds minder groot dan in Mexico of Brazilië. Desondanks groeit rondom elke grote stad in Argentinië een ring van krottenwijken. Volgens internationale hulporganisaties is ondervoeding - ondanks verschillende Nationale Voedingsplannen - een chronisch probleem geworden.

Populair is de volgende grap: met Kerst bezoekt de president een stad in zijn geboorteprovincie La Rioja en vraagt een priester wat voor cadeautjes hij moet meenemen voor de kinderen. 'Maar meneer de president'', zegt de priester, 'de kinderen eten hier niet eens!'' Waarop de president antwoordt: 'Wat? Eten ze niet? Dan krijgen ze ook geen cadeautjes!''

Het voormalige wijnpakhuis Giol moet een winkelcentrum worden. Het gebouw is geknipt voor de verkoopformule van de jaren negentig: cd's, merkkleding en schoenen tussen marmer, spiegels en roestvrij staal. Maar dat willen de bewoners niet: 250 gezinnen met in totaal 1.500 mensen hebben het pakhuis gekraakt en vechten hun uitzetting aan met een beroep op de grondwet die elke burger recht op onderdak geeft. De blokken hardhout waarmee de vloeren bestraat waren, hebben de bewoners gebruikt om muurtjes te metselen. Zo zijn appartementen van vijf bij vijf meter ontstaan, waarin zij tussen volle waslijnen, schreeuwende televisietoestellen en niet meer zo schone lakens het dagelijks leven improviseren.

Soms lijkt het afgelopen voor ze. Zoals een maand geleden, toen de politie er een razzia hield en meubels uit de appartementen begon te gooien, terwijl helikopters boven het complex rondcirkelden. Soms boeken de Familias Giol, zoals het losse collectief zich noemt, kleine overwinningen. Bijvoorbeeld toen het water- en het elektriciteitsbedrijf weer begonnen te leveren. Dat geeft ze even het idee dat ze voor vol worden aangezien.

Zij zijn de nieuwe armen: eerzame burgers die het nèt niet gered hebben. Hun lonen hielden geen gelijke tred met de prijzen die onder Menem werden losgelaten. 'Met twee schoolgaande kinderen hield ik geen geld over voor de huur van onze pensionkamer'', zegt Ruben Vázquez (38). Hij is nachtwaker. Overdag slaapt hij in het enige bed in de enige kamer, 's nachts, als hij werkt, zijn beide zoons.

De vrouwen van Giol zijn gewoonlijk als mucama - meid - in dienst bij een familie. De mannen zijn ober, portier of winkelbediende. Nadat zij overdag in een wit gesteven jasje, een uniform met pet of een stofjas andere Argentijnen van dienst zijn geweest, komen zij hier noedels eten van een vette keukentafel. René werkt in een supermarkt op de groentenafdeling. Hij woont in Giol met zijn moeder. 'Kijk'', zegt hij tevreden, 'een televisie en een radio, dat had ik vroeger niet. Nu wel. Alles keurig betaald.''

Met de paar lijmsnuivende gauwdieven en hoeren die op de tochtige onderverdieping tussen hun eigen uitwerpselen en de muggen wonen, willen de familias Giol niet veel te maken hebben. Niet dat ze hen het recht op onderdak zouden willen ontzeggen, maar die zwervers dragen ook niet bij aan een deugdzaam imago. 'Het belangrijkste is dat je gelukkig bent'', glimlacht Loreto, een vrouw van 35. Zij roert in een ketel soep. Haar twee kinderen vechten om een plastic dinosaurusje.