De bekentenis tot het gewone

Toen directeur Christian Braun begin vorig jaar Museum Overholland definitief sloot, ontketende hij met die daad een lawine aan publiciteit. In lange beschouwingen werd het belang van dit particuliere 'museum voor werken op papier' breed uitgemeten. Deelraden werden bestookt met brieven, en burgemeester Van Thijn kroop op zijn knieën naar het Museumplein in een laatste poging ons cultuurlandschap te behoeden voor deze ecologische ramp.

Op 7 november was het Starik Museum aan de Amsterdamse Rozengracht voor de laatste maal geopend. Een gebeurtenis die zich volstrekt geruisloos heeft voltrokken.

Toch had ik op die regenachtige zondagmiddag het gevoel bij Iets Belangrijks aanwezig te zijn geweest. Een gevoel dat je wel vaker bekruipt, maar dat je nog niet onder woorden kunt brengen. Die vind je pas jaren later, als geen hond meer begrijpt waar je het over hebt.

Ik had voor het eerst over het Starik Museum gelezen in het ochtendblad Trouw. Jong dichter opent museum in kraakpand, en stelt het publiek in de gelegenheid te komen kijken hoe hij leeft. Entree: 25 gulden. Die durft! dacht ik, en was vastbesloten de bleke jongeman, die er op de foto overigens meer uitzag als een jeugdig sekteleider dan als dichter, eens te bezoeken. Maar ineens is het anderhalf jaar verder, en hoor je bij toeval dat het Starik Museum de volgende dag een sluitingsmanifestatie heeft.

Na enig zoeken vind ik naast een snackbar de toegangsdeur op een kier, want het museum is op de bovenverdieping. Op de gammele trap het eerste gedicht: “Trap op, denkt hij, de toekomst is voorbij. Trap op, denkt hij, de meubels staan me bij.” Op de overloop krijg ik uitleg over het museum door een soort loketje dat is uitgezaagd in een deur. Op kniehoogte. Waarschijnlijk is dat het moment dat ik mij gewonnen geef: een briljante satire op de kassa van de Kunsthal in Rotterdam, waar het publiek zijn kaartje moet kopen in een tochtsleuf bij windkracht negen, door een bankbiljet in een op twee meter hoogte aangebracht patrijspoort te wurmen.

Precies de taak van een museum: de bezoeker op een gedachte brengen waar hij weer jaren op voortkan. Meneer Koolhaas, al breekt u de halve stad af om er Byzantiums, Kunsthallen of IJ-oeverkolossen voor in de plaats te zetten, er zal altijd ergens een ouwe deur te vinden zijn om een gat in te zagen, waardoorheen ik u kan trakteren op een holle, schampere lach!

Deze week heb ik het Starik Museum voor de tweede, en nu waarschijnlijk allerlaatste maal bezocht. Directeur Frank Starik (35) ontvangt mij in de Kantine, de achterkamer op de eerste verdieping, en de enige ruimte in het pand waar een kachel staat. Herhaaldelijk overstemd door een gekooid zangvogeltje geeft Starik een toelichting op zijn Leven als Museum, zoals ook het boek heet dat vanavond bij boekhandel Perdu tijdens een uitgebreid literair feestprogramma wordt gepresenteerd: “Al denkend over het functioneren van de kunst, en van mijn kunst kwam ik op het idee van dit museum van kleine werken. Een abstract idee, aanvankelijk. Toen ik dit pand als wisselwoning kreeg toegewezen, werd het onontkoombaar. Ik had er jaren over gefantaseerd, en nu had ik ineens de ruimte. Op het moment dat het een realiteit wordt gaat het zijn eigen wetten stellen. Je hebt een portier nodig, en een suppoost, waarvoor je een pak moet kopen. Al is het maar een pak van drie tientjes van het Waterlooplein. En ik heb mezelf tot directeur benoemd. Dat het zo vol hangt met egodocumenten komt omdat je eigen leven toch het enige is waar je als kunstenaar echt verstand van hebt. In zo'n museumvorm wordt je leven vanzelf een soort toneelstuk. Alles wat je doet wordt kunstmatig, ook de handelingen die voor de meeste mensen naturel zijn. Dat gaat vanzelf als je met zoiets bezig bent. Er is wel gezegd dat ik een megalomane ijdeltuit ben. Ik zie dat zelf anders, maar ja, wie ben ik om dat tegen te spreken?”

Starik omschrijft zichzelf als een “ouderwetse romanticus”: “Ik wil de taak van de kunstenaar wat groter stellen dan de politiek doet. Die beperkt de rol van de kunstenaar tot die van een kleine zelfstandige, die een bepaald bedragje moet verdienen, dat aangevuld wordt door de Sociale Dienst. Daar is dan weer een fijnmazig net omheen gebouwd van artotheken en materiaalvergoedingen. Daar doe ik ook wel aan mee, en nog met veel plezier ook. Maar eigenlijk wil ik ferme uitspraken doen over het leven en de dood. Net als Willem Kloos. Het eerste jaar stond de dood voorop. Mijn vader was net overleden en ook mijn vriend, de dichter Paul van der Steen, was net op een ellendige manier doodgegaan. Daar wil je dan wat mee doen, want met iedere dode in je omgeving komt je eigen leven in een ander perspectief te staan. Je jeugd verandert niet, maar als je vader doodgaat, ga je er wel anders naar kijken. Het werkstuk op de vierde verdieping, Décarnation IV, mag je beschouwen als de Nachtwacht van het Starik Museum. Ik heb daar foto's van mijn vader en mijzelf bijeen gebracht, en daar weer overheen geschilderd. Keurig ingelijst en met een gouden titelplaatje. Je kunt het alleen bekijken door een gat in de deur. Als een kijkkast, want veel dichter dan dat zal de toeschouwer mijn leven toch niet kunnen naderen.”

Het laatste halfjaar is de sfeer van dood en verderf in het Museum langzaam overvleugeld doordat voor Starik een nieuw leven begon: “Letterlijk nieuw leven, want ik word binnenkort vader. Het kind is voor volgende week uitgerekend, maar ik bid dat het wat langer duurt, want ik heb mijn handen vol met het boek en de ontruiming van het museum. Op de valreep zijn er toch ook nog wat buurtbewoners langs geweest, die kwamen met rode hoofden de trap op, zich bijna verontschuldigend voor hun nieuwsgierigheid. Dat is dan toch wel weer mooi.”

Beste Frank,

Uit de Museum-Bode heb ik geleerd dat het niet makkelijk is om jou te schrijven. Wat trappen mensen toch snel in de val om een ironische archaïsche toon te willen nabootsen.

Dus probeer ik het maar kort en zakelijk te houden.

Je hebt een prachtig boek geschreven. Ik was een beetje argwanend toen ik die rare hoofdstuktitels las: Hier, War, Zand, etcetera.

Net als in het museum, met zijn 'hoge drempel', zoals jij het noemde, lijkt het wel of je bijna niet wil dat mensen het lezen. En dat is jammer. De brieven aan de Oude Dame zijn schitterend. En de passages over je vader zijn weer heel ontroerend in al hun genadeloze gedetailleerdheid. Niet alleen zijn geruite jasje op het omslag, waarvan je me vertelde dat je moeder het na zijn dood aan jou had gegeven 'om af te dragen' begon voor me te leven, ik begreep ook ineens een tekst die me in het museum al had geïntrigeerd: 'bekentenis tot het gewone'. Als je weer gaat dichten lijkt dat me een prachtige titel.

Het mooist vond ik de overgang van de dood en crematie van je vriend Paul (Kei) naar de ballade over het laatste bezoek met je kat aan de dierenarts. Ik heb dat voorgelezen aan een vriend, en we wisten niet meer of we nu moesten lachen of huilen.

Van je maandverslagen aan de Sociale Dienst mag je hopen dat ze nog eens in de Tweede Kamer worden behandeld. Die geven meer inzicht in de krankzinnigheid van onze verzorgingsstaat dan tien rapporten van de commissie-Buurmeijer. En ze zijn zeker prettiger om te lezen. Mag ik je komen feliciteren, vanavond in Perdu?

    • Arthur Belmon