ARME AARDE

Vrede is het alleen in de pauze door W.L. Brugsma 142 blz., Balans 1993, ƒ 27,50 ISBN 90 5018 219 4

'Vrede is het alleen in de pauze.' Die titel zegt het al: de memoires van de journalist W.L. Brugsma zijn bepaald geen opwekkend boek geworden. Zo weinig opwekkend dat de schrijver kort voor het slot van zijn ondergangsbetoog zich zelf even onderbreekt met de woorden: 'uit vrees door onpasselijkheid een fanatieke misantroop te worden neem ik even vrijaf om mijn hond te strelen'. Dat is overigens een van de weinige ogenblikken waarop men hem met volledige instemming leest. Want wat hij daarvoor aan ellende bij elkaar heeft geschreven is niet gering.

Het boekje vormt bepaald geen eenheid. Het eerste deel is een poging lering te trekken uit de geschiedenis van Europa en de wereld sinds de jaren dertig. Daarin citeert hij onder meer het motto van zijn held, president de Gaulle, door hem de laatste grote Europeaan genoemd: 'Er kan geen politiek zijn zonder hóóp'.

Maar van die hoop blijft bitter weinig over in het tweede deel. Dat bestaat voornamelijk uit bespiegelingen van een - zoals de auteur zich zelf noemt - amateur-natuurfilosoof, die zich ook waagt op het gebied van de socio-ethologie, die door hem wordt omschreven als de gedragsleer van mensen en andere dieren.

Wat dit deel betreft had de titel ook kunnen luiden Apocalyps Overmorgen. Want Brugsma accepteert daarin het mensbeeld van de overleden Amerikaanse antropoloog Ardrey, dat zegt dat de mensen geen gevallen engelen zijn, maar opgeklommen apen, die dan bovendien nog gewapende 'killers' werden en wier natuurlijke staat de oorlog is.

Bovendien is, zo betoogt hij, bij mensen de geboortenbeperking als 'thermostaat van de biotoop' uitgeschakeld, wat uiteindelijk zal leiden tot 'de ultieme wereldoorlog tussen de imploderende eerste wereld, met haar vergrijzing en ontgroening, en de exploderende derde wereld, met haar bevolkingsgroei en erosie. Daar botsen wij uiteindelijk op de finale van het natuur-cultuurdebat.'

Brugsma heeft voorts sterke vermoedens omtrent het tijdstip waarop de overbevolkingsramp de wereld zal treffen: tussen 2030 en 2050 zal de kettingreactie van de B-bom, de bevolkingsexplosie afgaan. 'Dan knalt het ruimteschip Aarde uit elkaar, dan zinkt de overvolle reddingsboot. De menselijke soort is dan misschien nog wel te redden, maar de hele dan aanwezige mensheid niet meer. En het is de vraag wie de overlevenden zullen zijn: het bastion in de chaos dat Europa heet, of de bijna autarkische Papoea's in Nieuw-Guinea of de Indianen in de laatste uithoeken van het Amazonegebied in hun permanente prehistorie. En hoe de onvermijdelijke halvering van de wereldbevolking haar beslag zal krijgen weet geen hond.' Om er de moed in te houden voegt hij hier nog aan toe: 'Het kan natuurlijk ook anders gaan. Na aids, de neutronenbom van moeder natuur, de almachtige godin die altijd heel laat factureert, kunnen er nog andere retrovirussen komen, nieuwere, die vliegen kunnen, de vrees van menig viroloog.'

Tegen het einde van zijn betoog, nadat hij zijn hond heeft gestreeld, komt Brugsma nog even met een wat gematigder en gevarieerder mensbeeld: 'De mens is dus niet een èn-èn-wezen, niet goed of slecht maar goed èn slecht. Zittend in de stront en starend naar de hemel. Jekyll en Hyde. Moeder Teresa met een A-bom in haar tasje. Daar kan hij ook niets aan doen, zo is hij gemaakt en niet door zich zelf. En potentiële moordenaar èn een stralende altruïst. Met een knagend geweten, die botsing tussen natuur en cultuur.'

En tenslotte deelt de auteur ons mee dat hij, als hij het niet meer weet, pleegt te luisteren naar de opname van Bachs Partita in Bes majeur, gespeeld door Dina Lipatti. Dat maakt, zegt hij, de ernstige en/of hopeloze toestand dragelijk.

Misschien is het ook mogelijk bovendien nog enige troost en hoop te putten uit het feit dat van de vele voorspellingen van de komende ondergang van de wereld die bij de nadering van het jaar 1000 in omloop waren, niet één is uitgekomen.