Alders wil toch gelijk halen met de bodemsanering

Minister Alders van Milieubeheer heeft een probleem. De sanering van vervuilde bedrijfsterrein gaat honderden miljoenen guldens kosten en Alders wil dit geld als het enigszins mogelijk is, verhalen op degenen die de vervuiling destijds onrechtmatig hebben veroorzaakt. De Hoge Raad, onze hoogste rechter, heeft echter bepaald dat dit niet onbeperkt mogelijk is. Als de vervuiling van vóór 1975 dateert, dan kan Alders de kosten niet op de bedrijven verhalen. Want, zegt de Hoge Raad, vóór 1975 konden bedrijven niet weten dat de overheid dergelijke hoge saneringskosten zou gaan maken.

Alders vond dat echter onaanvaardbaar en doet nu al geruime tijd pogingen om het recht naar zijn hand te zetten. Eerst kwam hij met een wetsvoorstel, waarvan de strekking was dat het verhalen van de kosten ook mogelijk zou worden als de verontreiniging dateerde van vóór 1975. Zo simpel gaat het niet, oordeelde eerst de Raad van State en later ook de Eerste Kamer. Het plan van Alders was in strijd met de rechtszekerheid en de wetswijziging moet - naar mijn mening terecht - niet worden uitgevoerd.

De Eerste Kamer wilde de minister na lang discussiëren echter wel tegemoetkomen, maar alleen voor uitzonderlijke gevallen. Tijdens het debat in de Eerste Kamer noemde CDA-senator Wagemakers opzet en daarmee vergelijkbare grove schuld, D66 dacht aan veroorzakers die destijds hebben gehandeld in strijd met een tot hen gericht wettelijk voorschrift dat bedoeld was om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomemn.

Omdat de Eerste Kamer een wetsvoorstel alleen maar kan aannemen of verwerpen, vroeg zij de minister met een wijzigingsvoorstel te komen, dat aan de kritiek tegemoet komt. Zo'n wijziging heet een 'novelle'. Alders wilde dat wel, maar presenteerde een compromis, zonder rekening te houden met de duidelijke suggesties van de Eerste Kamer, die dan ook meteen afwijzend reageerde. Desondanks gaat Alders zijn novelle nu toch in procedure brengen in een nieuwe poging zijn gelijk te halen. Die novelle houdt in dat de staat in geval van verontreiniging vóór 1 januari 1975 al saneringskosten op bedrijven kan verhalen als de veroorzaker de gevaren van de verontreinigende stoffen kende, of deze gevaren behoorde te kennen, maar zich desondanks verwijtbaar niet van verontreinigend gedrag heeft onthouden. De rechter moet de geoorloofdheid van dit gedrag van een bedrijf aan twee criteria toetsen. In de eerste plaats aan de destijds in vergelijkbare bedrijven gebruikelijke bedrijfsvoering. Valt de vergelijking voor de veroorzaker negatief uit, dan zal dit voor de rechter een sterke indicatie dienen te zijn dat de veroorzaker een verwijt kan worden gemaakt en dat de saneringskosten op hem kunnen worden verhaald, aldus Alders. Wijkt de veroorzaker daarentegen niet negatief van andere bedrijven af, dan moet de rechter beoordelen of er destijds bestaande en voor de veroorzaker redelijkerwijs toepasbare alternatieven in aanmerking komen. Zo ja, dan is kostenverhaal alsnog mogelijk.

Wat Alders voorstelt lijkt een compromis, maar is het niet. Met deze novelle zou hij nagenoeg onbeperkt verhaal kunnen zoeken op veroorzakers vóór 1975, hetgeen zowel de Hoge Raad als de Eerste Kamer onredelijk en in strijd met de rechtszekerheid vinden. Wat schort er dan aan? In de eerste plaats spreekt die over gevaar van stoffen in het algemeen; de vraag moet echter zijn of de veroorzaker destijds op de hoogte was of had behoren te zijn van de gevaren van die stoffen voor de verontreiniging van de bodem. In de tweede plaats wordt de vraag naar de destijds in vergelijkbare bedrijven gebruikelijke bedrijfsvoering ook in de thans lopende procedures al gesteld. Die vraag blijkt - dat zal niet verbazen - in de meeste gevallen echter niet te beantwoorden. Vaak zal het al een probleem zijn om nu, tientallen jaren later, vergelijkbare processen te traceren. Voor bedrijven zou deze voorwaarde dan ook desastreus uitpakken, zeker omdat minister Alders er kennelijk van uitgaat dat niet meer de overheid, maar bedrijven zelf maar moeten aantonen dat hun bedrijfsvoering niet in negatieve zin afweek van hetgeen destijds gebruikelijk was. Ten slotte zie ik niet in waarom het een bedrijf thans verweten zou kunnen worden dat het de destijds bestaande en voor het bedrijf redelijkerwijs toepasbare alternatieven niet heeft toegepast, terwijl dat alternatief niet paste in de destijds in vergelijkbare bedrijven gebruikelijke bedrijfsvoering.

Als de novelle een soortgelijke inhoud heeft als het 'compromis', dan blijkt daar alleen uit, dat Alders eigenlijk geen beperking wil van het verhaalsrecht in gevallen die vóór 1975 zijn veroorzaakt, en dus geen compromis. Als de minister wel een serieus compromis voorstaat, dan doet hij er beter aan de suggesties van CDA en D66 in een novelle te combineren, waardoor kostenverhaal tegen veroorzakers van vóór 1 januari 1975 wel sterk zal worden ingeperkt. Daar ging het de Eerste Kamer om, en daar zou het ook de minister om moeten gaan als hij een compromis wil en vorm wil geven aan wat hij zelf heeft gezegd met zijn compromis te beogen, te weten het verhaalsrecht beperken tot degenen die zeer duidelijk verwijtbaar hebben gehandeld. Indien Alders zich de kritiek van de Eerste Kamer zou aantrekken, zouden het wetsvoorstel en de daarbij behorende uitvoeringsmaatregelen binnen afzienbare tijd kunnen worden afgewerkt en bedrijven de benodigde zekerheid geven. Indien hij daarentegen een novelle zou presenteren, die de Eerste Kamer al heeft afgewezen, betekent dat opnieuw vertraging. Dat is niet in het belang van de bodemsanering.

    • J.H.G. van den Broek