AL CAPONE; Heer met machinegeweer

Mr. Capone door Robert J. Schoenberg 480 blz., geïll., William Morrow 1993, ƒ 56,50 ISBN 0 688 08941 0

Iedereen kent de naam Al Capone, maar wie was hij? Een antwoord luidt: Al Capone was een heer, die immer verzorgd gekleed ging en onderhoudend converseerde over politiek, film en muziek - een liefhebber van opera's als Aïda en Rigoletto. Hij zorgde goed voor zijn familie, en armen en behoeftigen die zijn pad kruisten konden altijd rekenen op zijn hulp. Beloftes kwam hij steevast na.

Meer nog dan zijn warme persoonlijkheid sprak zijn rijkdom tot de verbeelding. Zijn inkomsten werden in 1927 geschat op honderd miljoen dollar. Het grootste deel van zijn fortuin was afkomstig uit de drankhandel, illegaal sinds 1920, toen in de Verenigde Staten de verkoop van alcohol bij wet werd verboden. Voor die tijd was de onderwereld voornamelijk geïnteresseerd geweest in goklokalen en bordelen, maar tijdens de 'drooglegging' werd vooral de handel in bier lucratief. Een bendeleider beweerde dat er in Chicago maandelijks voor dertig miljoen dollar aan bier werd verkocht. Er ontbrandde een hevige interne strijd om de controle over de drankhandel, de 'beer war', waaruit Capone naar voren kwam als de onbetwiste baas van de georganiseerde misdaad in Chicago.

VERBEELDING

De vraag wie Al Capone was, komt aan de orde in Mr. Capone van Robert J. Schoenberg, een biografie die met recht wordt geadverteerd als 'the real - and complete - story'. Het boek omvat 480 pagina's, waaronder ruim honderd pagina's noten. De auteur heeft onmiskenbaar geput uit een omvangrijk databestand, waarin elke persoon was opgenomen die op de een of andere wijze een rol heeft gespeeld in het leven van Capone. In de loop van het verhaal worden ettelijke tientallen familieleden, collega-gangsters, advocaten, politici en politiemensen geïntroduceerd. Men moet buitengewoon in het onderwerp geïnteresseerd zijn om alles wat Schoenberg over hen vermeldt te willen weten, maar compleet is het in elk geval wel.

De vraag waarom Al Capone zo lang tot de verbeelding is blijven spreken wordt niet erg bevredigend beantwoord. Schoenberg suggereert dat het wellicht de manier was waarop Capone de corruptie van de gezagsdragers uitspeelde, maar uiteindelijk komt hij niet verder dan dat Al Capone met al zijn flair en efficiëntie zo typisch Amerikaans was.

Al Capone wordt door Schoenberg afgeschilderd als een behendig manipulator met een scherp gevoel voor sociale verhoudingen. Streetgangs in New York vormden zijn leerschool. Dat was traditioneel, maar ongewoon was dat hij niet opgroeide in een getto. Terwijl hij zelf van Italiaanse origine was woonde hij in Brooklyn temidden van Ieren, Duitsers en Chinezen. Schoenberg ziet het ontbreken van etnische vooroordelen als een van de voorwaarden voor Al Capones succesvolle carrière als de 'businessman of crime'.

De jonge Capone was nogal heet gebakerd, en een in woede gepleegde moord dwong hem in 1919 naar Chicago te vluchten. Daar werkte hij aanvankelijk als ondergeschikte van de eveneens uit New York afkomstige John Torrio, de tweede man in het bordelen-imperium van een van de zwaarste jongens van Chicago, Jim Colosimo. Torrio zag grote mogelijkheden in de illegale drankhandel en vond dat zijn baas die onvoldoende benutte. Sinds de baas verliefd was geworden op een zangeres was zijn hart niet meer bij het werk, en met steun van Capone paste Torrio de meest radicale remedie toe: hij liet Colosimo doodschieten. Torrio werd de nieuwe baas en Capone, die belast was met de supervisie over een bordeel, maakte zich spoedig zodanig onmisbaar dat hij zich reeds als 23-jarige had opgewerkt tot nummer twee in de 'outfit'.

CLOUT

Torrio streefde naar een strakke organisatie van de drankhandel, waarbij diverse bendes samenspanden tegen de wettelijke gezagsdragers. Die werden op grote schaal omgekocht, zodat de politie zelden serieus optrad en er in de raad- en rechtszaal opmerkelijke beslissingen werden genomen. Het sleutelwoord was 'clout', waarmee iemands greep op het gezag werd aangeduid. Een onderwereldbaas verhoogde zijn status aanzienlijk als hij kon laten zien hoeveel gezagsdragers hij in zijn zak had.

Torrio had 'clout', maar slaagde er niet in alle rivaliserende gangstergroepen in het gareel te krijgen. Er waren voortdurend ambitieuze bendeleiders die niet tevreden waren met hun aandeel in de combine. De rivaliteit leidde tot een eideloze reeks onderlinge afrekeningen - meer dan zevenhonderd tijdens de 'drooglegging'.

Te veel van die moorden worden door Schoenberg in detail beschreven. Het zijn klassieke gangsterverhalen, maar het boek staat zo bol van de vuurgevechten en gewelddadige wraakacties dat gesproken mag worden van overkill. Sommige details zijn overigens wel mooi. Schoenberg vertelt bijvoorbeeld hoe een gangster, die was neergeschoten en lag dood te bloeden, er nog net in slaagde een trap uit te delen aan de verpleger die hem in een ambulance wilde leggen. Zijn laatste woorden luidden: 'take that, you son of a bitch!'

Na een mislukte aanslag op zijn leven trok Torrio zich terug en vanaf dat moment (1925) was Al Capone in Chicago de baas van de onderwereld. Met meedogenloze hardheid dwong hij de rivaliserende groepen zich te houden aan onderlinge afspraken. Wie zich daaraan onttrok werd geëlimineerd.

Tot die tijd waren concurrenten meestal uit de weg geruimd door ze van dichtbij neer te schieten met een revolver, maar onder Al Capone werd het machinegeweer geïntroduceerd. Zijn favoriete methode was het huren van sluipschutters die uit een belendend perceel een regen van kogels deden neerdalen op de te elimineren rivaal (en iedereen die zich in diens omgeving bevond).

Capone verzekerde zich van de loyaliteit van zijn mensen door hun werk en geld te bieden. Maar hij bond ze ook door zichzelf nadrukkelijk loyaal te tonen. Toen één van zijn handlangers in elkaar was geslagen vermoordde Capone eigenhandig de dader. Wie aan zijn mensen kwam, kwam aan Capone.

Van de protectie van politie en bestuurders verzekerde hij zich door grote bedragen aan steekpenningen. Hij beweerde dat hij daaraan jaarlijks dertig miljoen dollar besteedde. Wie geld van hem ontving moest zich natuurlijk wel aan zijn woord houden. Een politicus die zich had laten omkopen en zich desondanks tegen het gangsterdom keerde, werd door Capone botweg van de trappen van het gemeentehuis geslagen. De aanwezige politie keek even de andere kant op.

ROBIN HOOD

Zo meedogenloos als hij was tegenover iedereen die zijn positie bedreigde, zo aimabel was zijn publieke presentatie. Al Capone was uitermate welwillend tegenover de pers, hij gaf zelfs persconferenties. Hij ontving journalisten dan op slippers en in hemdsmouwen en deelde sigaren en illegale drank rond. Geduldig rechtvaardigde hij voor hen zijn broodwinning: wat hij deed was niet meer dan voorzien in een behoefte. Dat er een wet tegen de verkoop van alcohol bestond, wilde nu eenmaal niet zeggen dat er geen vraag naar drank was: 'you can't cure a thirst by law'.

Hij kweekte zoveel goodwill met gastvrijheid, cadeaus, fooien en spontane schenkingen dat hij in sommige kringen werd gezien als een soort Robin Hood-figuur. Ten onrechte, volgens Schoenberg, die aantoont dat wat Capone weggaf slechts een kleine fractie van zijn inkomsten uitmaakte. Behalve aan 'salaris' en steekpenningen besteedde hij nog het meeste geld bij de paardenrennen.

Voor de autoriteiten werd de status van Al Capone langzamerhand gênant. Zijn hoofdkwartier was een toeristische attractie, zijn auto werd nagewezen. Beroemdheden gingen er prat op hem te hebben ontmoet. In het corrupte Chicago kon hij gewoon zijn gang gaan. Hij bleek niet te pakken te zijn op grond van moord, geweldpleging of illegale verkoop van drank. Uiteindelijk moesten er oneigenlijke middelen worden gebruikt om Capone achter de tralies te krijgen.

De federale belastingdienst stelde een onderzoek in naar Capones inkomsten. Men slaagde er spoedig in zijn broer Ralph te betrappen op belastingontduiking, maar het was veel lastiger om Al Capone zelf te grijpen. Pas toen hij in een poging om tot een schikking te komen enig inzicht in zijn inkomsten had verschaft, slaagde men erin een gefundeerde aanklacht op te stellen. Na overleg met de openbare aanklager besloot Capone zich te laten veroordelen, onder voorwaarde dat de aanklager bij de rechter een zo licht mogelijke straf zou eisen. Alles leek geregeld tot tijdens de rechtszitting bleek dat de rechter niet wilde meewerken. Capone trok zijn bekentenis in, maar kon, mede door een zwakke verdediging, niet voorkomen dat hij werd veroordeeld tot elf jaar gevangenisstraf. In 1932, een jaar voor het eind van de drooglegging, werd hij opgesloten in Atlanta. Omdat hij daar allerlei privileges genoot en zich bleef gedragen als de 'king of crime', werd hij overgeplaatst naar Alcatraz, waar hij veel minder bewegingsvrijheid kreeg en nauwelijks contact met de buitenwereld meer kon onderhouden.

Intussen was Capones positie als baas van de onderwereld ook op geheel andere wijze ondermijnd. Gebruik makend van de diensten van meisjes uit zijn bordelen had hij syfilis opgelopen, in het tijdperk voor de penicilline een ernstige kwaal. Hoewel hij in de gevangenis intensief werd behandeld slaagden de artsen er niet in de ziekte te stuiten. Al Capone begon tekenen van dementie te vertonen. Nadat hij zijn straf had uitgezeten, leidde hij een teruggetrokken leven als patiënt, verpleegd door zijn familie. Regelmatig werden in Chicago gepleegde moorden nog aan hem toegeschreven, maar volgens zijn arts was hij inmiddels geestelijk vergelijkbaar met een twaalfjarige en beslist niet meer in staat een omvangrijk misdaadsyndicaat te besturen. Hij werd nog wel onderhouden door wat vroeger zijn organisatie was, maar zijn belangrijkste bezigheid bestond uit het eindeloos slaan van een tennisbal tegen een muur. In 1947 stierf hij na een hartstilstand.

    • Martijn de Rijk