Vleesbranche niet happig op lastige vragen over hygiène

ROTTERDAM, 19 NOV. De Nutricia-affaire roept vragen op over de hygiène in Nederland bij het slachten en de vleesverwerking. De branche is niet echt tot antwoorden bereid als dit onderwerp wordt aangesneden. “Ik heb er alleen maar bij te verliezen”, zegt bij voorbeeld directeur Oosterhof van pluimveeslachterij Plukon uit Wezep, een bedrijf dat door insiders wordt genoemd als een voorbeeld van nauwgezette hygiëne. Ook de bereidheid van de keurmeesters en rechercheurs om anders dan anoniem te praten over hun waarnemingen op de veemarkten, bij het veevervoer en in het slachthuis, is gering.

De Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) en de Veterinaire Inspectie van de Volksgezondheid waken over de de gezondheid van de consument. De Algemene Inspectie Dienst (AID) van het ministerie van landbouw is bij de zaak betrokken zodra het gaat over strafbare feiten. En in de onderlinge samenwerking van respektievelijk de keurmeesters, controleurs en rechercheurs spelen ook de inspecteurs van de stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming een rol. Zij zijn gespitst op het 'welzijn' van het dier op weg naar de slacht, maar waarnemingen laten zich niet beperken tot zo'n specifiek gebied.

Districtsinspecteur M.G. Broekhuizen, van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming was oorspronkelijk slager en maakte de controleurs van de Veterinaire Inspectie - toen nog Keuringsdienst van Waren - mee vanachter de toonbank. “Ze kochten wat, maakten zich dan bekend en namen nog een monstertje van dit of dat”, herinnert hij zich. “Nu is er alleen maar een papieren controle. Naar mijn idee rukken ze alleen nog maar uit bij klachten.” Het is een mening die ook kan worden beluisterd bij de keurmeesters van het RVV.

Bij zijn bezoeken aan slachthuizen stuit Broekhuijzen op toestanden waarbij de “zorgvuldigheid ver te zoeken is”. Bij de Europese slachthuizen in Nederland - volgens het Produktschap Vee en Vlees zijn dat er 78 - valt het wel mee. Die hebben een licensie van de EU (Europese Unie) te verliezen. Maar oudere in verval geraakte slachthuizen die alleen werken voor de binnenlandse markt, nemen het niet zo nauw. Daar rijden ze bij voorbeeld met een kruiwagen met darmen - een bron van infecties - door een vertrek waar nog wordt geslacht. Broekhuijzen noemt het beleid van de RVV - de instantie die de slachthuizen keurt - opportunistisch. Zo moest een klein slachthuis in Kamerik tot tweemaal toe dicht omdat er wantoestanden heersten. De tweede keer verwachtte hij dat de sluiting definitief zou zijn, maar een week later kon het slachthuis alweer doordraaien. Werkgelegenheid telde zwaarder dan de hygiène.

De ontoereikende controle op de slacht door de RVV is zijn grootste ergernis. Als de keurmeester 's ochtends binnenkomt is het slachten vaak al begonnen. “Dan zijn er zestig tot honderd dieren geslacht zonder dat hij erbij was.” Vaak worden er ook dieren geslacht waarop geen 'levende keuring' is toegepast, een onacceptabele gang van zaken waarop hij in zijn district midden-Nederland regelmatig stuit. Zijn collega in Noord-Holland heeft naar zijn zeggen dezelfde klacht. Een keurmeester moet ook niet te lang op dezelfde plek zitten. “Dan kent hij iedereen in zo'n bedrijf zo goed, dan durft hij niet meer in te grijpen. Op diverse plaatsen functioneren keurmeesters al vijf jaar of langer, dat kan niet.” Het argument dat de RVV hanteert tegen een roulatiesysteem is juist de dan geringere betrokkenheid van de keurmeesters bij hun werkomgeving.

Uit de rapporten van de AID en de jaarverslagen van de Veterinaire Inspectie wordt met name duidelijk dat veel mensen in Nederland bereid zijn de volksgezondheid in gevaar te brengen om zich te verrijken. “Het is verwonderlijk hoeveel risico's er worden genomen”, bevestigt Broekhuijzen. “Als er ergens een gebied dreigt te worden afgesloten omdat er bij voorbeeld varkenspest heerst of de blaasjesziekte, proberen vele boeren als de sodemieter hun vee nog weg te krijgen. Dan is het 's avonds in het gebied rondom een verdacht bedrijf harstikke druk, vee dat vrijwel slachtrijp is, wordt vast naar slachterijen gebracht. Met veewagens maar ook met bij voorbeeld bloemenwagens en alles wat maar kan rijden. De rest van het vee gaat naar bevriende bedrijven buiten het besmet geachte gebied. Daar zie je dan varkens opduiken in landbouwschuren waar normaal alleen maar machines staan.”

    • Hidde van der Ploeg