Van radikalinski tot studieuze theatermaker

Peter Stein werd in 1937 in Berlijn geboren, maar groeide op in het Westduitse Bad Homburg en zat op het Lessing Gymnasium in Frankfurt. Na zijn eindexamen ging hij germanistiek en kunstgeschiedenis studeren, maar via het studententoneel kreeg hij in 1964 een baantje als regie-assistent aan de Kammerspiele in München. Fritz Kortner was daar zijn grote leermeester. Lang bleef hij er niet. In 1968, het jaar van het grote radicalisme, ging rebel Stein volgens de directie van de Kammerspiele te ver toen hij voor de deuren van het Werkraumtheater geld liet inzamelen voor de Vietcong. Stein, toen nog met een vlecht in het sluike donkere haar, werd dringend uitgenodigd de Kammerspiele te verlaten.

Hij regisseerde daarna in verschillende theatersteden. In Bremen in 1969 'brak hij door' met een regie van Goethes Torquato Tasso met Bruno Ganz, Edith Clever en Jutta Lampe in de hoofdrollen. De latere toneelschrijver, toen nog toneelcriticus Botho Strauss schreef erover dat het vernieuwende van Steins regie was dat de toneelspelers zich met het stuk konden identificeren doordat Stein het liet verwijzen naar de maatschappelijke problemen van die tijd en meteen aanduidde welk een omstreden rol het theater in de slotfase van het burgerlijke tijdperk speelde.

Steins reputatie als 'radikalinski-stijl-1968' en politiek geëngageerde theatermaker vond bevestiging toen hij in 1970 in de Neue Schaubühne am Halleschen Ufer in Berlijn een theatercollectief oprichtte samen met de regisseurs Peter Zadek en Claus Peymann en acteurs als de al genoemde Clever, Ganz en Lampe. Het Duitse toneel had daarmee zijn voorhoede gekregen. Aan de Schaubühne waren daarna in de jaren zeventig de belangrijkste en opmerkelijkste produkties van Duitsland te zien, variërend van Vietnam-Diskussion van Peter Weiss, Die Unvernünftigen sterben aus van Peter Handke en Trilogie des Wiedersehens van Botho Strauss tot Peer Gynt van Ibsen en De drie zusters van Tsjechov.

Het theatercollectief bestond overigens niet lang. Peter Stein werd al gauw de onbetwiste heerser van de Schaubühne, die tot in de jaren tachtig in de volksbuurt Kreuzberg gevestigd bleef, maar toen verhuisde naar de Kurfürstendamm. Politiek geëngageerd theater werd ook minder de stijl van het huis. Stein dook steeds dieper in de tekst van de door hem gebrachte stukken. Het ging er hem steeds meer om de geest, de intellectuele dwarsverbanden, de idee van het te regisseren werk te doorgronden. Hij werd steeds studieuzer. In een openbaar gesprek met zijn Engelse tegenspeler Peter Brook zei hij bijvoorbeeld: “Als ik meer weet kan ik ook beter horen, zien en begrijpen.”

De Duitse theaterkritiek moest van Stein en de Schaubühne overigens niet veel hebben. Eerst regende het kritiek op de verwijzingen in klassieke stukken naar actuele politieke problemen, later werd Stein weer verweten te volmaakt en te esthetisch te werken (bijvoorbeeld in de tot in alle details perfecte opvoering van De drie zusters in 1984). Deze permanente kritiek, gecombineerd met eigen onzekerheid over de toekomst van de Schaubühne aan de Kurfürstendamm, bracht Stein ertoe zijn directeurschap neer te leggen.

Naar eigen zeggen misselijk van het Duitse toneelklimaat en hoe dan ook geïnteresseerd in de Europese dimensie van het theater deed hij daarna bijna alleen nog losse regies met de nadruk op het buitenland : in Engeland, in Parijs en Rome. Pas in 1991 ging hij weer een vaste verbintenis aan : bij de Salzburger Festspiele, waar de nieuwe directeur, Gerard Mortier, hem de leiding gaf van het sterk uit te breiden toneelaanbod van het jaarlijkse festival. Voor Peter Stein een wending van 180 graden sinds hij in 1970 zijn Schaubühne-avontuur begon. Toen werkte hij met een vast, nauw verweven, aanvankelijk zelfs democratisch georganiseerd team aan een samenhangend toneelseizoen voor een eigen in Berlijn geworteld publiek. In Salzburg moet hij voor een periode van nog geen twee maanden een toneelaanbod realiseren met acteurs en regisseurs die uit alle windstreken worden aangemonsterd voor een publiek dat van heinde en ver komt toegestroomd.

Steins contract in Salzburg loopt in 1994 af. Daar het er naar uitziet dat de Festspiele niet kunnen garanderen dat er in de jaren daarna genoeg geld zal zijn voor het verwezenlijken van Steins ambitieuze plannen, ziet het er naar uit dat hij na 1994 weer nieuwe wegen zal inslaan.