Toneelregisseur Peter Stein over Europa, rituelen en verwarring; Theater moet pijn doen

“Dacht U dat ik dit onzinnige werk zou doen als ik in staat zou zijn in eenzaamheid te schrijven? Natuurlijk niet. Dan was ik auteur. Maar ik kan alleen aan de creaties van anderen prutsen en ze tot leven wekken en interpreteren.” zegt toneelregisseur Peter Stein, die volgende week de Erasmusprijs krijgt. Een gesprek in Moskou, bij vijftien graden onder nul.

Op 25 november zal Peter Stein zijn werk toelichten in De Brakke Grond, Nes 45/2. Aanvang 10.30 uur. Belangstellenden moeten zich telefonisch opgeven bij de Premium Erasmianum, tel. 020-6752753.

In september 1994 zal Peter Steins Russische Oresteia tweemaal worden opgevoerd in de Rotterdamse Schouwburg.

Het Legertheater in Moskou is een immense door zuilen omgeven kolos in een van die vele vormeloze buurten die de Russische hoofdstad rijk is. Binnen is het tochtig en guur; de verwarming is min of meer kapot, geen feest nu de temperatuur buiten ineens tot vijftien graden onder nul is gedaald. De acteurs op het podium repeteren dan ook met dikke jassen aan. Zij zitten op stoelen in een kring rondom de enige actrice die vanochtend meedoet. Zij speelt Cassandra in Aeschylus' cyclus Orestie, die in een vijf uur durende versie in de regie van Peter Stein zal worden opgevoerd.

Stein zit, in een zwarte winterjas, op zijn knieën midden in de kring. De Duitse tekst, een door hemzelf gemaakte vertaling uit het oude Grieks dat hij als een classicus beheerst, ligt voor hem op de grond. Naast hem staat de tolk, die monotoon vertaalt wat Stein te vertellen heeft. Hij praat als Brugman. Probeert duidelijk te maken met voorbeelden uit de moderne wereld hoe het koor van mannen moet reageren op Cassandra's sombere voorspellingen. 'Zeitungen? Alles Lüge!' roept hij. Geconcentreerd, met een onvoorstelbare inzet gaat hij urenlang door de tekst. Tien uur, praktisch zonder onderbreking, is hij elke dag aan het werk in het Moskouse Legertheater.

Na afloop, het theater loopt leeg, iedereen is koud tot op het bot, heeft hij toch nog tijd en energie om te praten. Gelukkig is hij niet met deze regie, waar hij overigens eerst jaren lang naar had verlangd. Russische toneelspelers zijn geweldig als zij duidelijke directe emoties moeten vertolken, zegt hij, maar met ambivalente gevoelens weten zij geen raad. “Dat je een emotie maar een paar minuten in een richting kan laten gaan om die dan weer met een zwenking naar het tegendeel te relativeren, daar begrijpen die Russen niets van. Ik praat en praat en kwebbel en kwebbel, maar ze hebben het nog niet te pakken.” Hoe kan dat? Ze hebben toch hun eigen Tsjechov, is mijn reactie. Maar die opmerking getuigt volgens Stein van totaal onbegrip. Tsjechov kunnen Russische acteurs juist helemaal niet spelen, zegt hij. Hun Tsjechov-voorstellingen zijn niet om aan te zien.

De Orestie heeft hij al jaren in Moskou willen brengen omdat deze cyclus het meest grootse is wat in de wereldtoneelliteratuur te vinden is. De Russen weten volgens Stein geen raad met de klassieken, vandaar dat het hem zo aantrok Aeschylus hier op de planken te tonen. Lange tijd kon dat niet omdat het stuk in een dictatuur niet gespeeld kan worden. Nu kan het en het is ook nog hoogst actueel, want het gaat over misdaden in het verleden, nieuwe wetten en gerechtigheid.

Applaus

Volgende week komt Peter Stein naar Nederland om de Erasmusprijs, die jaarlijks wordt toegekend aan personen of instellingen wegens hun verdiensten voor de Europese cultuur, in ontvangst te nemen. Hij voelt zich erdoor geëerd en gevleid, maar hij vindt het ook merkwaardig. Net als toen hij de Goethe-prijs in Frankfurt kreeg vraagt hij zich af of dergelijke grote eerbewijzen wel op hun plaats zijn tegenover een toneelmaker. “Wat consistentie en grijpbaarheid betreft heb ik niet zo'n hoge pet op van onze kunst,” zegt hij. “Daarom krijgen we ook elke avond applaus. Een beeldhouwer, die iets blijvends en tastbaars maakt, krijgt dat niet. Televisieregistraties hebben dit niet veranderd. Zij kunnen niet meer dan een derde vastleggen van wat een toneelavond brengt.”

Bovendien moet men het toneel niet overschatten. “Dacht U dat ik dit onzinnige werk zou doen als ik in staat zou zijn in eenzaamheid te schrijven? Natuurlijk niet. Dan was ik auteur. Ik zou ook graag schilder willen zijn, of componist. Ik zou graag een scheppende kunstenaar willen zijn. Ik kan het alleen niet. Ik kan alleen aan de creaties van anderen prutsen en ze tot leven wekken en interpreteren. Maar dat is een secundaire bezigheid. Als men zoiets eren wil moet men het vooral doen. Eigen schuld zou ik zeggen.”

Ook vindt Stein zijn theaterwerk van zeer uiteenlopend karakter. Het is moeilijk, volgens hem, om te spreken van een oeuvre, waarvoor hij dan nu een prijs zou hebben verdiend. Natuurlijk volgt hij wel een lijn, namelijk die om steeds weer nieuwe dimensies van het toneel te ontdekken, waarbij het voor hem van groot belang is in harmonie met zichzelf en zijn reservoir aan eigen levenservaringen te blijven. Maar toen hij jonger was volgde hij meer zijn obsessies dan nu, was hij meer geneigd tot commentaar op de politieke werkelijkheid, tot karikaturale vertekening ervan. “Op wat oudere leeftijd wil je meer een overzichtelijk, genuanceerd geheel op de planken presenteren. Daarom is mijn theaterwerk veranderd, niet omdat, zoals vaak beweerd en geschreven wordt, ik mijn politieke opvattingen heb aangepast. Die zijn wel veranderd, maar dat heeft met de loop der gebeurtenissen in de wereld te maken en met de lessen die ik heb geleerd. Met het theater staat dat niet in verband.”

Vietnam

Eind jaren zestig demonstreerde Peter Stein tegen het Amerikaanse Vietnambeleid. Hij berouwt dat niet. Achteraf vindt hij dat 'Vietnam' op Europa een zeer positieve invloed heeft gehad. De ecologische beweging is uit het protest tegen de oorlog in Vietnam voortgekomen en de culturele navelstreng tussen Europa en Amerika is er door afgebonden. Stein vindt dat een heilzame ontwikkeling.

Aan de Erasmus-prijs bevalt hem in het bijzonder de Europese dimensie. Stein is van huis uit kunsthistoricus en heeft altijd veel gereisd om kennis te nemen van de kunst in andere landen. Zijn toneelopleiding heeft hij gekregen, zegt hij, door in de jaren vijftig in Londen en in Rusland theater te gaan zien. Niet in Nederland. “Niemand heeft mij ooit gezegd dat van het toneel daar iets te leren viel.” Dat in die jaren de Stanislavksi-leerling Pjotr Sjaroff met Nederlandse acteurs schitterende Tsjechov-voorstellingen maakte was hem onbekend. Met zijn internationale regie-activiteiten, in Londen, in Rome, en nu in Moskou, wil hij de kennis en de contacten tussen de verschillende nationale theaterculturen bevorderen.

Niet ten bate van een Europese eenheidsbrij natuurlijk. “We worden toch al gruwelijk bedreigd door een eenheidsbrij van Amerikaanse snit, door de vercocacolisering van de cultuur in de hele wereld. Daar is ook niets tegen te doen. Maar daarom moeten we extra oppassen dat we niet, onder het waarmerk der Europese eenwording, onze reliëfs afslijpen, wat door de informatiecultuur van onze tijd een groot gevaar is.” Stein vindt dat de politici hier niet veel van begrijpen. Bij de kosten van de Europese eenwording zou expliciet een grote post moeten worden opgevoerd voor het behoud van de culturele zelfstandigheid van de deelnemende landen. “Anders komt er gelazer.”

Op de vraag of hij niet toch ook door het Amerikaanse theater beïnvloed is reageert Stein met onbegrip. “In Amerika bestaat helemaal geen theater.” En La Mama, The Living Theatre, Bob Wilson dan? “Dat zijn mensen die uit Amerika komen, maar sterk beïnvloed werden door de Europese traditie, daarna hier succes hebben gehad en verder aan het Europese toneelleven hebben deelgenomen. Dat is geen Amerikaans theater! Onzin! Het enige Amerikaanse theater van belang, en dat wordt trouwens in Londen gemaakt, zijn de musicals. En die interesseren me niet.”

Voor Peter Stein, hij heeft dit al meer dan eens gezegd, is de afstamming van het theater uit het ritueel heel belangrijk. “De mens kan niet zonder rituelen leven. Met de onoplosbare problemen van het voortbestaan kan hij alleen leven door wat hem bedreigt mimisch voor te stellen. Als hij dat niet doet wordt hij stapelgek. Het is een therapeutische bezigheid. Elke psycholoog kent dit psychische mechanisme.” Hierin ligt voor hem dan ook de relatie tussen het ritueel en het theater en zijn bevrijdende werking. Maar het theater is niet hetzelfde als een ritueel. Het legt vast, noteert, kan daarom ook gekritiseerd worden.

Mysterie

“Het Europese theater heeft van het begin af aan een verlichtende werking op zijn publiek gehad. In dit opzicht zet het zich ook weer af tegen het ritueel, waarvan de diepste kern mysterie is zonder centrum, waarvan men helemaal niet weet wat het betekent - de vraag naar de betekenis van een ritueel is overigens stupide. Maar theater blijft ook steeds verwijzen naar het ritueel doordat wat op de planken gebeurt met de ratio alleen niet te doorgronden is. Daarmee draagt het theater ertoe bij de zogenaamde zekerheden van het leven te ondermijnen, waardoor de toeschouwers met een ander levensgevoel naar huis gaan dan waarmee zij gekomen zijn. Het theater moet ook in verwarring brengen zonder natuurlijk het publiek kwijt te raken, het te laten weglopen.”

Stein ziet de toneelkunst als een moeilijke, hoogst gecompliceerde kunstvorm, die juist omdat hij van het ritueel afstamt en het moet hebben van gezamenlijkheid, met andere woorden een collectieve kunst is, steeds door gebrek aan geld bedreigd wordt. In zijn onderhandelingen met de Festspiele in Salzburg over de verlenging van zijn contract als 'organisatiemannetje', zoals hij het zelf noemt, is geld ook weer het centrale probleem.

“Het is of men niet beseft dat toneel zoals wij dat kennen een unieke Europese zaak is, iets wat zich nergens op de wereld zo ontwikkeld heeft. Het is werkelijk onzinnig dat men zo weinig geld voor theater over heeft. Juist nu het ook van een andere kant bedreigd wordt, door de informatiecultuur die we voor ons overleven nu nodig hebben. Maar deze cultuur houdt ook in dat we niets zelf meer beleven. We zijn er in Bosnië wel als het ware bij als er met een bijl op mensen in wordt gehouwen of als bij een verkrachting de benen van een vrouw uit elkaar worden gerukt, misschien doen we zelfs mee, maar het is een hypothetisch, hybride, niet reëel leven dat we meemaken. In het echte leven daarentegen is onze ervaring gereduceerd. We lijden praktisch niet meer. Met alle middelen, die we economisch, politiek, cultureel, spiritueel ter beschikking hebben wordt het leven afgevlakt zodat het niet zo'n pijn doet. De sociale vrede is belangrijk, het compromis. Allemaal slecht voor het theater, dat gebaseerd is op de moed tegenstellingen te beleven, uit te houden en door te spelen. Een typisch Europees verschijnsel. In andere culturen vind je die permanente tegenspraak niet.”

Ons gesprek eindigt in een melancholieke stemming die past bij het shabby kantoor waarin we zitten, de kou en de thee met chloorsmaak die we drinken. Peter Stein, de avant-garde-theatermaker van de fameuze Berlijnse Schaubühne, is somber over ons tijdsgewricht. Overal, ook in de toneelteksten die hem bereiken vindt hij de fragmentarisering dat het huidige leven teistert. Hij noemt dat het 'Magazin-principe', het mengen van alles en nog wat, de versnippering die het kenmerk is van de elektronische media. Deze 'moderne' levenssfeer staat volgens Stein diametraal tegenover het theatrale denken, dat continuïteit nodig heeft om daarbinnen de tegenspraak aan bod te laten komen. Stein wil zich inzetten om niet alleen het theater, maar ook het hele Europese culturele erfgoed te koesteren. Want zonder dat, denkt hij, zullen wij de discipline niet kunnen opbrengen die nodig is om de grote uitdagingen die aan ons overleven gesteld worden het hoofd te bieden.

    • André Spoor