Steun voor kranten is niet meer van deze tijd

In de jaren zeventig had de Communistische Partij van Nederland één spandoek dat bij elke demonstratie werd meegedragen. 'Hogere lonen, lagere prijzen', stond erop. De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) heeft ook zo'n spandoek. Zo gauw de dagbladpers op enigerlei wijze bedreigd wordt, eist de NVJ méér overheidssteun voor àlle kranten. Datzelfde spandoek gaat omhoog nu de Tweede Kamer geen behoefte aan een wettelijke fusieregeling blijkt te hebben. Volgens NVJ-secretaris Verploeg gaat de dagbladpers door alle fusies en opheffingen verdere 'verschraling' en 'vervlakking' tegemoet en kan alleen de overheid uitkomst bieden. Zes tegemoetkomingen verwacht Verploeg uit Den Haag: handhaving van de compensatieregeling voor dagbladen, meer armslag voor het Bedrijfsfonds voor de Pers, acceptatie van horizontale prijsafspraken, herinvoering van het BTW-nultarief, een wettelijke basis voor het redactiestatuut en, natuurlijk, de invoering van een persfusieregeling.

Verploegs eisenpakket ademt de geest van de jaren zeventig, toen overheidssteun nog het adequate antwoord leek op de uitdunning van het krantenaanbod. Het ideologisch en journalistiek eigene van verdwijnende kranten werd maar gedeeltelijk bij de resterende kranten teruggevonden. Daarom was financiële steun aan noodlijdende bladen noodzakelijk.

Die logica gaat niet langer op. De technologische vooruitgang maakt het informatie-aanbod veelzijdiger dan ooit. Een gesneuveld dagblad is amper ter aarde besteld, of het graf wordt betreden door nieuwe informatieverstrekkers - van internationale nieuwszender tot plaatselijke televisie, van teletekst tot computerservice. betreden. Terecht concludeerden vier bestuursleden van het Bedrijfsfonds voor de Pers, onder wie de hoogleraren Van Cuilenburg en Haselhoff, in hun studie 'Tussen krantebedrijf en mediaconcern' dat 'praktisch kan worden uitgegaan van maximale mediapluriformiteit'. Overheidssteun voor bedreigde kranten, betoogden ze, kan daarom niet langer een topprioriteit voor het fonds zijn.

Zo lang er open concurrentie blijft, is er geen reden het ene medium méér steun dan het andere te geven. De NVJ en de dagbladuitgevers zien de BTW-heffing op kranten, nu gefixeerd op zes procent, graag tot een nultarief teruggebracht. De legitimatie voor een dergelijk privilege ontbreekt echter. Als gedrukte en elektronische media samen de pluriformiteit op de Nederlandse informatiemarkt gestalte geven, moeten ze ook gelijk behandeld worden. Dagbladen een nultarief, dan ook informatieve radio- en televisieprogramma's (nu aangeslagen voor 17,5 procent) een nultarief. In principe zou zelfs een privilege als de ontheffing van het wettelijk verbod op kartelvorming - de dagbladen beschermen zich tegen concurrentie met behulp van horizontale prijsafspraken - die nivellerende behandeling moeten ondergaan .

Verploeg weigert zich mentaal naar de jaren negentig te verplaatsen. Hij ontkent dat de 'verschraling van de dagbladpers' door de opkomst en uitbreiding van andere media wordt gecompenseerd. Vooral de televisie dicht hij op dat punt povere kwaliteiten toe. Waarom maakt hij niet duidelijk. Hoe dan ook, zijn oordeel strookt niet met dat van vele Nederlanders. Zij verkiezen de informatie van de televisie verre boven die van de krant. Op de cruciale terreinen binnenlandse politiek, buitenlandse politiek, commentaar op binnen- en buitenlandse politiek, sport, sensationeel binnenlands en buitenlands nieuws en consumentennieuws heeft de televisie de rol van 'belangrijkste informatiebron' van de krant overgenomen. Als 'seismografen' van alles wat onder het publiek leeft, vertonen ook de adverteerders, met Albert Heijn als opvallendste representant, een groeiende voorkeur voor het medium televisie.

Het zou een maatschappelijke verarming zijn als de dagbladpers in het televisiegeweld werd doodgedrukt. Onvoorwaardelijke verlenging van massieve overheidssteun vormt daartegen echter niet de juiste remedie. Door alle bescherming van de afgelopen decennia is de pers een 'gehospitaliseerde' patiënt geworden, die bij naderend onheil gewoon op het belletje voor overheidsassistentie drukt. Vooral de regionale pers dreigt daarvan nu de dupe te worden. Terwijl de 'ontlezing' onder haar publiek het hardste toeslaat, is de innovatiedrang er het zwakst ontwikkeld. Redacties nemen de noden en behoeften van hun lezers niet serieus genoeg en uitgevers doen te weinig aan produktdiversificatie. De budgetten voor onderzoek en ontwikkeling van de Nederlandse pers steken ongunstig af bij die in het buitenland.

Willen kranten zich het vege lijf redden, dan geeft slechts vernieuwing-op-eigen-kracht enige kans op herstel. Een te langdurig verblijf onder de stolp van de overheidsbescherming veroorzaakt zuurstofgebrek.

    • Voorlichting in Utrecht
    • T.M. van Stegeren
    • Docent aan de School voor Journalistiek