Rozdjestvenski spot met bijna alles

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Gennadi Rozdjestvenski met Oxana Yablonskaja (piano). Programma: Prokofjev: Ouverture op joodse thema's en Eerste pianoconcert; Sjostakovitsj, Vierde symfonie. Gehoord: 18/11 Vredenburg Utrecht. Herhaling: 19/11 en 21/11 (14.15u) in De Doelen, Rotterdam.

Alles aan dirigent Gennadi Rozdjestvenski was koddig, gisteravond in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg, waar hij het Rotterdams Philharmonisch Orkest leidde. Alles, behalve de muziek. Zijn gebaren bij het dirigeren hebben het karakter van een charmante uitnodiging. Hij laat zijn handen speels dansen voor de strijkers, geeft een bescheiden hoofdknikje naar een slagwerker, en lacht vriendelijk tegen de cellisten.

Ook voor het publiek voert Rozdjestvenski kleine actjes op. Toen er tussen de delen van Sjostakovitsj' Vierde symfonie wel erg veel werd gehoest, draaide hij zich eens om en liet twee opvallende kuchjes ontsnappen. En toen het applaus voor de Ouverture op joodse thema's van Prokofjev al was afgelopen voordat hij van het podium was verdwenen, ontlokte hij een nieuw applaus door zich omzichtig en met een verbaasd gezicht naar het publiek te wenden.

Die verbazing van Rozdjestvenski was overigens begrijpelijk. Want het Rotterdams Philharmonisch had onder zijn leiding zojuist een prachtige uitvoering gegeven van Prokofjevs ouverture.

Dat was ook nodig, want het Eerste pianoconcert van Prokofjev dat erop volgde, dendert vanaf de eerste noot in ruim een kwartier als een trein over het publiek heen. Prokofjev, zelf een pianovirtuoos, schreef een bijzonder lastige pianopartij, maar de Russische pianiste Oxana Yabloskaja had er geen moeite mee. Briljant en groots was haar spel, vanzelfsprekend en zonder enige oppervlakkigheid haar interpretatie. En om te laten horen dat ze ook ingetogen kon spelen, volgde een bescheiden solistisch toegiftje van Scarlatti.

Na de pauze volgde de Vierde symfonie van Sjostakovitsj, gecomponeerd in 1936, maar op het laatste moment door de componist zelf in de ban gedaan toen zijn opera Lady Macbeth in kranten werd gekritiseerd. Uiteindelijk ging het werk pas in 1961 in première. Wie luistert naar de Mahleriaans orkestratie, de grimmige en voortdurend onrustige toon, de vaak agressieve aanpak en de enorme klankexplosies, begrijpt waarom Sjostakovitsj vermoedde dat dit de Sovjet-autoriteiten zou kunnen ontstemmen.

Onder Rozdjestvenski's leiding werden al die elementen trefzeker uit het voortreffelijk spelende orkest gehaald, met zachte maar onverbiddelijke hand. Juist met die dubbele houding typeerde de dirigent misschien wel het best het werk van Sjostakovitsj. Met alles valt te spotten, behalve met muziek.