Prix Goncourt; Zaad voor broedertwisten; Amin Maalouf over zijn Libanese geboortedorp

De belangrijkste literaire prijzen van Frankrijk zijn deze maand uitgereikt. De gezaghebbende Prix Goncourt ging naar de van oorsprong Libanese schrijver Amin Maalouf voor zijn historische roman Le Rocher de Tanios. Emmanuèle Bernheim kreeg de Prix Médicis voor Sa femme. Het verrassendste boek was echter L'Oeil du Silence van Marc Lambron. Een jurylid van de Prix Goncourt liet weten dat deze roman over de fotografe Lee Miller aanvankelijk bovenaan het lijstje van zijn jury stond, maar werd gepasseerd omdat hij de Prix Femina al had gekregen.

Amin Maalouf: Le Rocher de Tanios. Uitg. Grasset, 227 blz. Prijs ƒ 54,10.

Op 15 juli 1840 sluiten Engeland, Pruisen, Rusland en Oostenrijk buiten medeweten van Frankrijk een akkoord waarbij zij overeenkomen de expansiedrang in het Midden-Oosten van Mohammed Ali, de onderkoning van Egypte, aan banden te leggen. De vier Europese mogendheden willen Mohammed Ali dwingen af te zien van zijn op de Turkse sultan veroverde gebieden in Syrië en zich te onderwerpen aan de Ottomaanse heerschappij. De Fransen zijn woedend: zij hebben in de voorgaande jaren Egypte gesteund, in de hoop om aldus in Noord-Afrika vaste voet aan de grond te krijgen. Ondanks de Franse oppositie landt op 11 september 1840 een invasiemacht van Engelsen, Oostenrijkers en Turken in dat deel van Syrië dat tegenwoordig Libanon heet. Mohammed Ali ziet zich gedwongen zijn troepen terug te trekken en met de Turkse sultan tot een vergelijk te komen.

Tegen deze historische achtergrond speelt het verhaal van Le Rocher de Tanios, de roman waarvoor de Libanees-Franse schrijver Amin Maalouf vorige week met de Prix Goncourt werd onderscheiden. Maalouf, die zestien jaar geleden de burgeroorlog in zijn land ontvluchtte, beschrijft de lotgevallen van de bewoners van het kleine christelijk dorp Kfaryabda in het Libanongebergte aan het begin van de negentiende eeuw en laat zien hoe een min of meer zelfstandig functionerende, feodale samenleving ontwricht raakt door het machtsstreven van de verschillende partijen die elkaar dit gebied betwisten. De ontknoping van het verhaal voltrekt zich aan de vooravond van de invasie in november 1840.

Christensjeik

In Kfaryabda wordt de macht gedeeld door een feodale leenheer, de christensjeik Francis, en een pastoor. Beiden geven zich naar hartelust over aan de dorpspolitiek en proberen daarbij de twisten tussen Egyptenaren en Turken en tussen Fransen en Engelsen, in hun eigen voordeel uit te buiten. Maaloufs traag uitgesponnen beschrijving van het dorpsleven levert een aardige relativerende invalshoek op. De schijnwerpers zijn niet gericht op de politiek van de grote mogendheden, maar op de kleine dorpsintriges - de rokkenjagerij van de sjeik, de rivaliteit tussen de pastoor en een Engelse zendeling, het merkwaardige enthousiasme van een muilezeldrijver voor de Franse revolutie. Toch spelen de gebeurtenissen in de buitenwereld die zich aan de directe waarneming van de hoofdpersonen onttrekken, een doorslaggevende rol in hun leven. De rivaliserende facties in Libanon zijn gebaat bij verdeeldheid binnen het dorp, terwijl de dorpelingen van hun kant niet altijd weerstand kunnen bieden aan de verleiding om hun ruzies te beslechten met hulp van buiten. Zo leidt de aanvankelijk lachwekkende vete tussen de sjeik en een van zijn rentmeesters tot gevangenschap en blindheid van de een en de gruwelijke dood van de ander. Zoals de figuren in een Griekse tragedie, zijn Maaloufs personages daders en slachtoffers in een drama dat geënsceneerd wordt door onbekende, almachtige regisseurs. In Maaloufs roman zijn dit geen goden, maar staatslieden - een onderkoning, een sultan, een paar eerste ministers en een rijkskanselier. Het lot neemt, en dat is niet verwonderlijk bij een Libanees schrijver, de gedaante van de politiek aan: 'Het lot kruist en doorkruist ons leven, schrijft Maalouf, zoals de naald van de schoenmaker telkens opnieuw het leer doorboort.'

Vijandschap

De figuur die de verbindende schakel vormt tussen het dorp en de buitenwereld, is Tanios, de hoofdpersoon van het boek. In negen passages beschrijft Maalouf met behulp van fragmenten uit verschillende - gefingeerde - bronnen het wonderbaarlijke leven van deze mysterieuze figuur, die zijns ondanks telkens opnieuw zijn dorp in het ongeluk stort. Het begint allemaal met het raadsel rondom Tanios' geboorte. Is hij geboren uit de wettige verbintenis van zijn moeder Lamia met Gerios, de rentmeester van de sjeik, of is hij, zoals de dorpelingen fluisteren, de vrucht van de omhelzingen van Lamia en de sjeik op een lome namiddag? Hoe het ook zij, vanaf het moment dat Tanios van de roddels over zijn afkomst op de hoogte is, voelt hij zich een vreemde in het dorp en door zijn afwijkende gedrag zal hij onbedoeld een reeks bloedige verwikkelingen ontketenen die uiteindelijk culmineren in een onverzoenlijke vijandschap tussen de christenen van Kfaryabda en een naburige Druzengemeenschap. Daarmee is, zoals Maalouf suggereert, het zaad gestrooid voor de broedertwisten die Libanon tot op heden verscheuren.

Tanios is slechts een werktuig van het lot en wordt door de dorpelingen ook als zodanig bejegend. Nooit zullen zij deze vreemdeling in hun midden beschuldigen van het ongeluk dat hij over hen brengt. Als de teerling echter eenmaal is geworpen, is Tanios' rol uitgespeeld en verdwijnt hij spoorloos. Volgens de door Maalouf aangehaalde overlevering is hij de dag na het door de Druzen aangerichte bloedbad voor het laatst gesignaleerd boven op een rots bij een van de toegangswegen tot Kfaryabda, nadenkend uitkijkend over het gebergte en de zee in de verte.

Le Rocher de Tanios is een mooie, poëtisch geschreven vertelling. De strakke, bewonderenswaardig volgehouden causaliteit gaat schuil in een grote rijkdom aan details over het dagelijks leven in een Oosters dorp waar de machtsverhoudingen getemperd worden doordat de verschillende partijen elkaars zwakheden kennen en elkaar onophoudelijk met veel omhaal van woorden te slim af proberen te zijn. De dramatische historische achtergrond verhindert de schrijver niet om lichtvoetig en met veel gevoel voor humor het lot van Kfaryabda, zijn geboortedorp, en daarmee dat van zijn vaderland, Libanon, op te roepen. De oorsprong van dit vermogen tot relativeren lijkt mij in Maaloufs verteltalent te liggen. Slechts door het vertellen van verhalen immers, is het mogelijk om het lot én te verdragen én naar de kroon steken.

    • Manet van Montfrans