Prix Femina; Orpheus in de Tweede Wereldoorlog; Roman van Marc Lambron over Lee Miller

De belangrijkste literaire prijzen van Frankrijk zijn deze maand uitgereikt. De gezaghebbende Prix Goncourt ging naar de van oorsprong Libanese schrijver Amin Maalouf voor zijn historische roman Le Rocher de Tanios. Emmanuèle Bernheim kreeg de Prix Médicis voor Sa femme. Het verrassendste boek was echter L'Oeil du Silence van Marc Lambron. Een jurylid van de Prix Goncourt liet weten dat deze roman over de fotografe Lee Miller aanvankelijk bovenaan het lijstje van zijn jury stond, maar werd gepasseerd omdat hij de Prix Femina al had gekregen.

Marc Lambron: L'oeil du silence. Uitg. Flammarion. 471 blz. Prijs ƒ 49,20.

In L'oeil du silence vertelt Marc Lambron (1957) het veelbewogen levensverhaal van de Amerikaanse fotografe Elizabeth Lee Miller (1907-1977). Hij is zo gegrepen door deze vrouw, dat hij niet over haar schrijft met de belangstelling van de biograaf, maar eerder met de hartstocht van de geliefde. Hij bouwt zijn roman op als een omhelzing, waarin Miller de vrouw wordt zoals hij haar heeft gedroomd, en hij de man die ze haar leven lang heeft gezocht.

Lambron is te subtiel om zichzelf voor te stellen als een van de vele mannen in Millers leven. Hij heeft een raamvertelling bedacht. Het boek begint met een congres in Madrid, herfst 1981, georganiseerd naar aanleiding van de historische terugkeer van Picasso's Guernica. De ik-figuur, een niet nader genoemde student kunstgeschiedenis, is op dit congres om de (fictieve) David Schuman, een voormalig correspondent van het tijdschrift Life, enkele vragen te stellen over de Amerikaanse schilder Mark Rothko. Hij sluit vriendschap met hem. Wanneer Schuman enige jaren later sterft, zit in zijn nalatenschap een manuscript, dat door de student moet worden vertaald. Dit manuscript bevat het verhaal van Schumans ontmoeting met Lee Miller, in 1944, en hun bijna anderhalf jaar durende reis daarna. De vertaling van het Engelse manuscript vormt het grootste gedeelte van de roman.

Deze vrij ingewikkelde proloog verhoogt de waarachtigheid van Lambrons verhaal, en verschaft hem als het ware een plaatsje in Millers leven. In 1981 was Lambron 24 en Schuman 76. Lambron kon Schuman niet geweest zijn, maar naarmate het verhaal zich ontrolt, neemt de vertaler die het verhaal vertelt, de plaats van de gestorven schrijver in. Zo wurmt Lambron zich, via hem, toch handig Millers bestaan in.

De constructie geeft Lambron bovendien de nodige armslag om de oude Schuman in bespiegelingen die mooi in de gejaagde verteltrant zijn ingelast terug te laten blikken op ingrijpende momenten van de voorbije eeuw. Het boek laat de jaren twintig in New York zien, de surrealistische beweging in het vooroorlogse Parijs, de oorlog en de bevrijding en de naoorlogse New Yorkse avant-garde. Lambron wil kennelijk laten merken dat hij veel weet en vaak nadenkt, maar de overvloed aan details is nooit hinderlijk en de bij monde van Schuman verstrekte levensinzichten zijn niet betweterig.

Wanneer Schuman en Miller elkaar in augustus 1944 ontmoeten, zijn ze allebei oorlogscorrespondenten, hij voor Life, zij voor Vogue. Miller is op dat moment 37 en heeft al heel wat achter de rug. Schuman wordt op slag verliefd op de beeldschone, raadselachtige Miller, die zich gedraagt met de roekeloosheid van iemand die al haar schepen achter zich heeft verbrand. Op voorwaarde dat hij haar nooit iets zal vragen, reist ze in januari 1945 met hem naar het Amerikaanse front.

Het is het begin een waanzinnige reis die van het boek een Europese 'road story' maakt: van Parijs via de Elzas dwars door Duitsland tot aan de Elbe, waar Amerikaanse en Sovjetdivisies zich verenigen. Zowel de omvang van het feitenmateriaal dat Lambron over deze periode heeft verzameld als de precisie en het gemak waarmee hij dit hanteert, zijn verbluffend. Elk straatbeeld, elk stuk geschut, elke ontmoeting wordt beschreven met de nauwkeurigheid van de ooggetuige. Dat levert beklemmende momenten op, zoals wanneer ze in München toevallig in het huis van Hitler worden ingekwartierd of wanneer ze op 29 april met de Rainbow Company van de 45ste divisie volslagen onvoorbereid de hel van Dachau binnenrijden.

Het einde van de oorlog betekent zowel voor de reis als voor de roman een keerpunt. Voor Miller is het het einde van het uitstel, het oponthoud dat ze zichzelf heeft gegund. Terwijl iedereen druk in de weer is met de organisatie van de vrede, blijft ze stomdronken in bed liggen om haar eigen werkelijkheid niet onder ogen te hoeven komen. Haar weerstand breekt en we zijn over de helft van het boek wanneer ze eindelijk iets over zichzelf loslaat. Zo wordt het levensverhaal van Miller ingenieus ingekapseld in de mémoires van Schuman.

Vanaf dat moment trekken Lee en Dave verder als twee displaced persons, vluchtend in een reis waarin de gruwel van de wereld zich aan hen openbaart. Schitterende beschrijvingen van Salzburg, Wenen, Boedapest, Boekarest worden afgewisseld met herinneringen aan New York, Parijs, Caïro en Londen. Tegelijkertijd reizen ze in Lee's verleden en door het niemandsland van het aan de nazi's ontfutselde Midden-Europa dat op dat moment nog niet door Stalin is bezet. Tegen deze troosteloze achtergrond wordt Schuman een Orpheus die zijn Eurydice probeert te leiden door de onderwereld van haar herinneringen.

Of Lambron de Orpheus-constructie, waarin hij Miller niet alleen wil beschrijven maar in zekere zin ook redden, hanteert uit liefde voor deze vrouw of om haar levensverhaal meer reliëf te geven, doet niet ter zake. Waar het om gaat is dat hij de rol van de fictieve geliefde perfect uitspeelt. Zo laat hij Miller als eerste jeugdherinnering de verdrinkingsdood van haar zevenjarige 'boyfriend' vertellen. In de laatste nacht die ze met Schuman doorbrengt beweert ze dat hij het gezicht van dat verdronken jongetje heeft. De volgende morgen is ze verdwenen. Eurydice wordt prijsgegeven en Schuman moet genoegen nemen met de gedachte dat hij iemand had kunnen zijn die hij niet is geworden.