Prijs voor solidariteit met seropositieve leraar Drachten

DRACHTEN, 19 NOV. Leerkracht J. van den Berg (50) wist in 1985 dat hij seropositief was. Hij hield het bewust stil. Alleen een vriend en vriendin had hij ingelicht. Tot hij vier jaar later keelpijn kreeg en regelmatig verzuimde op school. “Dat viel op, want daarvoor was ik nooit ziek. Kort daarna bracht de homoseksuele onderwijzer zijn directeur A. Klaver op de hoogte.

Van den Berg gaf te kennen dat hij het liefst zo lang mogelijk wilde blijven werken. De ziektewet of de WAO in wilde hij niet. “Ik zag mezelf al zitten op mijn flatje. Zo wil ik mijn carrière niet beëindigen, dacht ik. Ik geniet van de kinderen, ik heb een heerlijke baan, die ik nu langzaam kan afbouwen.” Klaver steunde hem. “Formeel zegt de wet dat een seropositief persoon in dienst moet blijven, maar ik snapte dat dit maatschappelijk moeilijk zou kunnen komen te liggen.”

Stap voor stap wilde hij collega's, bestuur, ouders en gemeente inlichten. Intussen bleef hij doorwerken. Na een half jaar besloot Van den Berg dat zijn collega's moesten weten dat hij seropositief was. Zij reageerden geschokt, maar steunden het aanblijven van het vroegere schoolhoofd. De schoolleiding en de overige docenten hielden er rekening mee dat ouders hun kinderen van school zouden kunnen halen, uit angst voor besmetting. Zo zou er zelfs een baan op de tocht komen te staan. Ondanks die dreiging bleef het hele onderwijsteam trouw aan hun beslissing.

Een vaste vervanger zou de groep van Van den Berg overnemen als hij voor onderzoeken in het ziekenhuis was of thuis bleef. “Vaste vervanging was noodzakelijk”, zegt directeur Klaver, “zodat ouders achteraf niet konden zeggen dat hun kinderen de dupe waren geworden van de ziekte van hun meester”. Vanaf 1990 is Van den Berg per schooljaar een dag minder gaan werken. Toen een ouder eind 1990 zelf ging combineren - Van den Berg, homoseksueel en wel erg vaak afwezig - en aan Klaver bezorgd vroeg of Van den Berg aids had, werd de ouderraad ingelicht.

Om eventuele geruchten tegen te gaan werden alle ouders persoonlijk uitgenodigd voor speciaal belegde voorlichtingsavonden, waar ze te horen kregen wat er aan de hand was. Daarbij waren de inspecteur, de wethouder van onderwijs en de ouderraad aanwezig. Voor de ouders van de Marokkaanse en Vietnamese kinderen - op De Swetten is 30 procent van de leerlingen van buitenlandse afkomst - werden aparte avonden belegd.

Het aidsteam van de GG en GD in Groningen werd ingeschakeld om onafhankelijke, deskundige voorlichting te geven. De meeste vragen gingen over het besmettingsgevaar: kan aids via speeksel, zoenen of koffiekopjes worden overgebracht. Die angst is weggenomen door goede voorlichting, aldus Klaver. “Er was geen paniek en geen hysterie. Belangrijk was dat de angst ook niet werd ontkend”, zegt Klaver.

S. Jansen van de ouderraad: “Er komen honderden vragen op je af, als je hoort dat de meester van je zoontje seropositief is. Maar bij een normale gang van zaken kan niemand besmet raken. Niemand van de ouders reageerde negatief.”

Ook de kinderen werden in één week ingelicht. De jongsten werd meegedeeld dat meester ziek was en niet meer beter werd, de oudere kinderen werd meer verteld. Die goede voorlichting en de openheid vormen de redenen dat geen enkele ouder zijn kind van school heeft gehaald, vermoedt Klaver.

Van den Berg werkt nu vrijwillig op dinsdag en woensdag in kleine groepjes leerlingen met leerachterstanden. Een hele klas werd hem te zwaar. Hij voelt zich ondanks zijn ziekte prettig. Daarbij speelt het eigenlijk geen rol dat zijn school onlangs de nationale onderwijsprijs heeft gewonnen. “Het is vooral belangrijk dat bekend wordt dat mensen met HIV hun carrière kunnen afbouwen als er goede maatregelen worden getroffen. Een open houding, wederzijds vertrouwen en solidariteit tussen collega's onderling en ouders zijn daarvoor vereisten.”

    • Karin de Mik