POLITIEK CORRECT 2

Ik heb me vergist. Ik dacht dat 'politiek correct' een nieuwe naam was voor een verdwenen verschijnsel. Politiek correct hoort bij de bezetting van het Maagdenhuis, het eisen van colleges in het marxisme op straffe van een tomatenbombardement en doorgesneden banden, de mars door de instituties, het omturnen van de staat en dergelijke overleefde dierbaarheden. Er is nog één overblijfsel van politiek correct dat tevoorschijn komt in het antwoord op de vraag: Wat is uw favoriete praatprogramma? Noem je in je argeloosheid de verkeerde naam, dan is dat niet in orde maar het heeft geen ernstige gevolgen.

Dat dacht ik. Op het stukje van twee weken geleden dat ik eindigde met een vraag (of politiek correct hier nog bestaat), heb ik één brief gekregen, een aardige van iemand die mij wel voor een Gesinnungsterrorist hield, maar zonder me het gevoel te geven dat hij me dit kwalijk nam. Ook daardoor kreeg ik de indruk dat schrijvers van ons slag nu door de andere kant worden getolereerd, en waar tolerantie heerst verliest dit soort correctheid haar betekenis.

Nu liep ik de beste tijdschriftenwinkel van Manhattan binnen, Nike's Smoke & Magazine Shop op de hoek van de elfde Straat en de zesde Avenue, en daar zag ik het laatst verschenen nummer van Partisan Review, een themanummer, gewijd aan The Politics of Political Correctness.In tweehonderddertig pagina's geven zevenentwintig auteurs hun kijk op het vraagstuk. Zo ontdekte ik dat ik me had vergist: politiek correct leeft, het is een uitdrukking voor een strijd die althans in de Verenigde Staten weer is opgelaaid en met ouderwetse giftigheid wordt gevoerd. Als voorbeeld neem ik de bijdrage van Robert Brustein, artistiek directeur van het American Repertory Theater en hoogleraar in de Engelse taal en letterkunde aan de Columbia en de Harvard Universiteit. Hij schrijft over Dumbocracy in America.

Volgens Brustein is politiek correct de crypto-maoïstische erfenis uit de jaren zestig. “Veel, misschien de meeste leiders van wat tegenwoordig politiek correct heet, waren vijfentwintig jaar geleden actieve leden van Nieuw Links. De radicale studenten die toen de universiteitsgebouwen bezetten als protest tegen de oorlog in Vietnam en de Black Panthers zijn nu zelf docent, hoogleraar, of zelfs rector magnificus van een universiteit. Nadat ze ertoe hadden bijgedragen het hoger onderwijs beter toegankelijk te maken voor minderheden - op zichzelf prijzenswaardig - komen ze nu tegemoet aan de eisen die daarop onvermijdelijk zijn gevolgd: nieuwe subfaculteiten voor vrouwenstudies en zwarten en in het vervolg daarop, een subfaculteit voor iedere etnische minderheid. Intussen hebben de studenten van nu de methoden van hun voorgangers overgenomen: sit-ins, bezettingen, docenten het spreken onmogelijk maken, de universiteit sluiten.”

Het betoog van Brustein is niet vrij van de methode grote-stappen-gauw-thuis. De tijd is niet ver meer, schrijft hij, dat een kind van acht alles weet van het oud-indiaanse totem-ritueel en niets van de tafel van twee en dat een student beter bekend is met het condoom dan met de grammatica. Twee kinderen lopen van school naar huis. Mijn vriendje heeft twee mamma's, zegt het ene kind. Hoeveel is twee? vraagt het andere. Die mop is, voorzover ik weet, bij ons nog niet doorgedrongen. Als een hoogleraar in de Engelse taal en letterkunde hem gebruikt om in een ernstig, cultureel kwartaalschrift zijn essay kracht bij te zetten, blijkt daaruit dat de nood op de Amerikaanse universiteiten hoog is gestegen.

We mogen het geheel van Brusteins argumentatie niet beoordelen op deze ornamenten van zijn woede. Hij heeft krassere voorbeelden: symphonieorkesten waarvan de leden een sensitivity training wordt voorgeschreven, op straffe van intrekking van de subsidie, en met het doel tot een repertoire te komen dat beter zal beantwoorden aan de 'eisen van de gemeenschap'; de 'balkanisering' van het schouwburgpubliek door een etnische programmering volgens de normen van de politieke correctheid. En dan weer: “Je kunt je keel niet meer schrapen zonder iemands gevoelens te kwetsen.”

Dit nummer van Partisan Review overziend zou je tot de conclusie komen dat Nederland het met zijn erfenis van Nieuw Links beter heeft getroffen. De cultuur van de consensus en de commerciële televisie hebben het heftig debat van toen langzaam maar zeker gesmoord. De crypto-maoïstische erfenis van Han Lammers, Marcel van Dam, André van der Louw en Arie van der Zwan valt te verwaarlozen. Maar zijn er andere bolwerken? Daar wil ik op terugkomen.

    • H.J.A. Hofland