Kijk eens wat ze met mijn song hebben gedaan; Ray Charles, uitvinder van de soul

Popzanger Ray Charles, die volgende week een concert geeft in het Haagse Congresgebouw, nam de producent van platenmaatschappij Atlantic op een middag mee naar een nachtclub. De band zat klaar om te spelen. Charles ging naar zijn piano, telde af, zong 'I've Got A Woman' en ontketende een revolutie in de populaire muziek.

Ray Charles & David Ritz: Brother Ray. Ray Charles' Owen Story. Uitg. Da Capo Press, 348 blz. Prijs ƒ 39,50

Op 24 november treden Ray Charles en zijn orkest op in het Congresgebouw in Den Haag.

Toen Ray Charles (1930) onlangs werd gevraagd op welk door hemzelf geschreven nummer hij het meest was gesteld, antwoordde hij: “Wel, 'What'd I Say' leverde het meeste geld op, als dat een antwoord op de vraag is.” Het is een antwoord op de vraag, maar niet het soort dat bij veel popcritici op respect mag rekenen. Net als bij de andere kunsten heerst in de popkritiek de zolderkamerromantiek van de gekwelde kunstenaar. Nog steeds is 'commercieel' een scheldwoord en rebelse, liefst jonge popmusici, die beweren zich niets aan te trekken van het publiek, kunnen eerder op bijval rekenen dan bands die schaamteloos uit zijn op het grote geld. Ook David Ritz, de co-auteur van Brother Ray, Ray Charles' onlangs opnieuw uitgegeven autobiografie, vertoonde de Pavlov-reactie van de popkritiek toen hij in 1956 voor het eerst Ray Charles-platen hoorde: “Ze waren commercieel, een onvergeeflijke zonde in de geest en het hart van de twaalfjarige die weet dat Ware Kunst niet ook populair kan zijn.”

Toch is Charles' antwoord onverbeterbaar: 'What'd I Say' uit 1959 is niet alleen zijn grootste hit van eigen hand, maar het is ook de apotheose van de revolutie die Ray Charles in de jaren vijftig ontketende. Die begon in 1954 met 'I've Got A Woman', het eerste nummer waarin hij een gospelnummer voorzag van een wereldse tekst en een rhythm 'n' blues-arrangement en zo volgens veel pophistorici het eerste soulnummer tot stand bracht. Maar moest 'I've Got A Woman' het nog stellen zonder een 'Amen Corner', een vrouwenkoortje dat net als in de zwarte Baptistenkerken antwoordde op de gezongen zinnen van de zanger/ voorganger, in het lang uitgesponnen 'What'd I Say' wordt Charles' grommen, kreunen en schreeuwen steevast beantwoord door de extatische Raeletts.

De revolutie leverde Charles de kwalificatie genie op - volgens Frank Sinatra was hij zelfs de enige in de muziekbusiness die aanspraak mocht maken op die titel. Jerry Wexler, de legendarische producer van Atlantic, het rhythm 'n' blues-label waaraan Charles in de jaren vijftig was verbonden, vertelde later hoe de revolutie tot stand kwam. Hij werd in New York opgebeld door Charles die hem vroeg onmiddellijk naar Atlanta te komen. “We ontmoetten hem in zijn hotel. Hij nam ons mee naar de overkant van de straat naar een nachtclub met de naam 'The Royal Peacock' - het was in de middag en daar zat zijn band, klaar om te spelen. Hij ging naar zijn piano, telde af en begon met 'I've Got A Woman'. Dat was het.” Voor Charles zelf was de gebeurtenis zo onbeduidend dat hij die ongenoemd laat in zijn autobiografie. Hij gelooft ook niet dat hij een grote uitvinding heeft gedaan. “Sommige mensen vertellen me dat ik de soul heb uitgevonden - maar ik heb daar geen aandeel in gehad. Soul is wat zwarten zingen wanneer ze niets opgedrongen krijgen. Ik heb spirituals gezongen sinds mijn derde, en ik luisterde al net zo lang naar de blues. Wat lag dus meer voor de hand dan die twee met elkaar te combineren? Er was geen denken voor nodig, en ook geen berekening. Het kwam moeiteloos tot stand.”

Gruwelijke ongelukken

Uitvinder van de soul of niet, zeker is wel dat Ray Charles niet de archetypische soulzanger is. Terwijl de meeste grote soulzangers op latere leeftijd worden getroffen door vreselijke ongelukken, die niet zelden de dood tot gevolg hebben, overkwam Ray Charles juist op jonge leeftijd al iets gruwelijks: hij werd blind. Volgens de steeds weer herhaalde mythe verloor Charles het zicht, nadat hij zijn jongere broertje had zien verdrinken in de wastobbe. Maar dit is een overdrijving van de werkelijke gebeurtenissen, zo blijkt uit Brother Ray. Inderdaad heeft Charles zijn broertje zien verdrinken, maar pas twee maanden later kreeg hij een oogziekte waardoor hij ten slotte volledig blind zou worden. Vervolgens werd hij naar de Staatsschool voor de Blinden in St. Augustine gestuurd, waar hij degelijk muziekonderwijs kreeg. Hier werd de basis gelegd voor het tweede onderscheid met de andere soulzangers: Ray Charles beperkt zich niet tot één genre, maar speelt alles. Van zijn leraren leerde hij klassieke componisten als Chopin, Beethoven en Sibelius kennen, en op de radio hoorde hij de jazz van Tommy Dorsey, Glenn Miller en Benny Goodman. Al eerder, toen hij nog kon zien en bij zijn moeder in Greenville, Florida woonde, had hij de blues en gospels leren kennen. Overigens speelde de kerk niet zo'n belangrijke rol in de muzikale ontwikkeling van Charles, een derde verschil met andere soulzangers die bijna zonder uitzondering juist leerden zingen in de kerk.

Wat Ray Charles wel verbindt met andere soulzangers is zijn grote belangstelling voor seks. Hij zingt er niet zo openlijk over als bijvoorbeeld Marvin Gaye of James Brown, maar in zijn autobiografie schaart hij seks onder de dagelijkse behoeften. Hij vertelt dan ook openlijk en uitgebreid over zijn seksuele ervaringen, beginnend met masturbatie op elfjarige leeftijd, die veel moeilijkheden opleverde op de blindenschool omdat hij nooit wist wanneer de leraar eraan kwam, en eindigend met de trotse mededeling dat hij, anders dan veel van zijn leeftijdgenoten, nog lang niet impotent is. Ook in het gebruik van drugs deed Charles niet onder voor veel van zijn collega's. Zeventien jaar lang is hij junkie geweest en pas toen hij voor de derde keer in aanraking kwam met justitie, kickte hij in 1965 van de heroïne af. En zoals alles ging hem dit makkelijk af: het stoppen met sigaretten roken had hem meer moeite gekost, zei hij later.

Wraak

Toen hij afkickte was Charles op het hoogtepunt van zijn roem, maar volgens de heersende mening had hij zijn beste periode toen al achter de rug. In 1960 had hij het kleine Atlantic verlaten voor een lucratief contract met de grote platenmaatschappij ABC, waarvoor hij niet alleen soul, maar ook jazz, ballads begeleid door big bands en tenslotte ook met veel succes country & western-nummers opnam. Vooral dit laatste kwam hem op het verwijt te staan dat hij 'uitverkoop' had gehouden.

Dit is een vreemd verwijt. Met evenveel recht zou men kunnen zeggen dat Charles' country & western-nummers een moedige poging zijn om traditionele grenzen te slechten. Niet alleen was het ongehoord dat een zwarte muzikant zich de blankst denkbare muziek toeëigende, maar ook de manier waarop Charles die uitvoerde was bijzonder. Hij speelde country & western op een eenzelfde wijze als zijn soulmuziek - alleen de koortjes klonken wat beschaafder dan in de jaren vijftig - en deed dus eigenlijk net zoiets revolutionairs als toen hij de soul uitvond, al leidde het dit keer niet tot een nieuw genre. Het is dan ook verleidelijk om country & western-muziek van Ray Charles niet te zien als een capitulatie voor het blanke publiek, maar juist als de wraak van de zwarte muzikant. “Dertig jaar heb ik moeten zien hoe de platen van mij en andere zwarte muzikanten werden overgenomen of geïmiteerd door blanken,” schrijft Ray Charles in zijn autobiografie over het door hem in 1973 opgenomen nummer 'Look What They've Done to My Song, Ma'. “Ze verminkten de liedjes, maar het draaide er altijd op uit dat zij meer verkochten dan de zwarten. (-) Ik zal nooit zoveel verdienen als Frank Sinatra.”

Toch wil Ray Charles zelf niets weten van zulke wraakgedachten. Countrymuziek is een van de vele muzieksoorten waarvan hij al in zijn jeugd hield en op het verwijt dat hij 'commercieel' werd door country & western te gaan spelen antwoordt hij eenvoudig: “Ik weet echt niet wat dat betekent. Ik ben altijd commercieel geweest. Ik ben altijd in de muziekbusiness geweest voor het geld.”

Niet bekend

    • Bernard Hulsman