Kabaal

Het is al donker en toch doet de jongen de gordijnen dicht. Zelfs het vage maanlicht mag op dit ogenblik de kamer niet binnendringen.

Pas nu houdt hij een brandende lucifer bij de pit van een kaars. Alle lampen heeft hij al eerder uitgedaan. Het tocht niet in de kamer en toch gaat de vlam een klein beetje heen en weer.

Bij dit licht is goed te zien dat hij heel ernstig kijkt. Hij heeft zijn wenkbrauwen gefronst. De voorstelling kan beginnen.

Hij heeft zich geoefend in een kunst die een beetje uit de mode is geraakt. Twee handen en een spierwitte muur. Meer is er niet voor nodig. En dat kaarslicht natuurlijk.

Op de muur verschijnt een krokodil. De punt van z'n bek gaat omhoog. De ene kaak klapt op de andere kaak. Het dier is al weer in het niets verdwenen.

Kijk, een duivel, een haas, een papegaai. De figuren volgen elkaar nu heel snel op. Ze zien er in zwartwit op die muur zo levensecht uit dat het lijkt of ze allemaal werkelijk in de kamer zijn.

Een duif, wat wordt dat, een stier, dan een olifant. De slurf gaat langzaam omhoog, maakt een draai en schudt met die licht gewelfde top naar achteren, alsof jumbo z'n rug besproeit.

Nadat de duivel en een hele dierentuin op de muur zijn verschenen is de voorstelling nog niet afgelopen. Het belangrijkste moet zelfs nog komen. Dat heeft de negenjarige directeur me zelf verteld.

Hij loopt naar me toe en geeft me een hand. Als ik die druk hoor ik het geluid van stieren en duiven, papegaaien en olifanten, honden en leeuwen en toch zie ik de mond van de directeur niet bewegen.

Het is of ik de schaduwen raak van alle dieren die ik net heb gezien. Of de jongen ze uit zijn handen kan laten ontsnappen nu ze hun werk hebben gedaan.