Kaaitheater onderzoekt de vrijheid van de mens

Voorstelling: Exiles van James Joyce door Kaaitheater. Vertaling: Geert Lernout; regie: Peter van Kraaij; decor: Ann Weckx; spel: Josse de Pauw, Frieda Pittoors, Jos Verbist, Tamar van den Dop. Gezien: 16/11 Brakke Grond Amsterdam. Aldaar t/m 20/11. Daarna elders t/m 4/12.

De scène waarmee het Brusselse Kaaitheater de voorstelling Exiles begint is een veelzeggende. In een taps toelopende kamer waar met uitzondering van één witte stoel alles dieprood is, ligt een man op de vloer. Hij beschrijft het interieur en de mensen die er binnenkomen, onder wie hijzelf. Richard heet hij. Doordat hij regie-aanwijzingen opsomt blijkt hij in deze voorstelling tegelijkertijd nog een andere functie te hebben: het lijkt alsof hij de situatie bedenkt en naar zijn hand zet. De scènes die zich in het net-niet-realistische decor afspelen voltrekken zich in feite in zijn hoofd.

Dat is althans wat regisseur Peter van Kraaij suggereert. Exiles, de in 1915 geschreven en enige bewaard gebleven theatertekst van James Joyce, gaat volgens deze opvatting over de kracht van de verbeelding. Over de kunstenaar voor wie leven en kunst één en hetzelfde is. Van Kraaij toont een kunstenaar die zijn eigen leven ensceneert en dat van de anderen om hem heen manipuleert met de bedoeling na te gaan in hoeverre de totale vrijheid van de mens is te verwezenlijken.

Voor Richard, in wie veel van James Joyce zelf is te herkennen, is die vrijheidsdrang een levenshouding geworden. Hij is een schrijver die zich weigert te onderwerpen: noch aan de moraal, noch aan de banden met zijn familie en Ierse geboortegrond laat hij zich iets gelegen liggen. Met zijn vrouw Bertha en hun zoontje kiest hij voor vrijwillige ballingschap in Italië. Het is een opstelling die ook zijn relatie met Bertha bepaalt: hij verdraagt niet dat zij zich uitsluitend aan hem bindt. Daarom probeert hij haar, als ze na negen jaar afwezigheid in Dublin terugkeren, in de armen van zijn vriend Robert te drijven, terwijl hij zelf toenadering zoekt tot Roberts nicht Beatrice.

In de enscenering van Peter van Kraaij zien we hoe Josse de Pauw als Richard aanvankelijk succes boekt met zijn experiment. Hij heeft alle touwtjes in handen, zo lijkt het, temeer daar hij zelf de rollen overneemt van de hier afwezige huishoudster Brigid en zijn zoon Archie. De psyche van de anderen blijkt hij echter minder goed te doorgronden dan verwacht. Bertha (Frieda Pittoors) wil niet dat Richard als privé-bezit over haar kan beschikken en peinst er niet over haar man te bedriegen omdat hij dat zo graag wil. Robert (Jos Verbist) bedankt er eveneens voor in dit perverse spel als marionet op te treden. Maar ook op een ander punt faalt Richard: op zijn eigen reacties en emoties heeft hij al evenmin veel vat. Twijfel en jaloezie slaan toe als hij er niet op bedacht is.

Richard overziet zelf, kortom, de consequenties van zijn erotische fantasie niet en dat veroorzaakt een spanning die constant voelbaar is in het spel. De manier waarop de drie genoemde spelers en de jonge actrice Tamar van den Dop als Beatrice de steeds wisselende gemoedstoestanden van hun personages weten uit te drukken is buitengewoon precies en expressief. Ze vertragen en versnellen, ze laten gepassioneerde uitbarstingen volgen door dreigende stiltes en zo stevenen ze af op een onafwendbare climax. Ook visueel is dat het geval: de voorstelling die begon in het donker eindigt in onverbiddelijk schel en wit licht.

De voorstelling paart een strak ritme aan grote emotionele geladenheid - hoe harmonieus die twee aspecten op elkaar zijn afgestemd is misschien nog het best duidelijk te maken door te verwijzen naar het strijkkwartet opus 132 van Beethoven, dat de overgangen tussen de drie bedrijven markeert.

    • Noor Hellmann