Het schoonheidsloze leven; Door en door Vlaamse verhalen van Koenraad Goudeseune

Koenraad Goudeseune: Vuile was. Uitg. Atlas. 136 blz. Prijs ƒ 29,90

Vuile Was, het debuut van Koenraad Goudeseune, is iets tussen een verhalenbundel en een roman in. Het bevat zeven taferelen uit het leven van de ik, een overgevoelig jongetje dat Koenraad Goudeseune heet, van zijn vijf-zes jaar tot zijn drieëntwintig. Het boek begint met een motto uit Het verlangen van Hugo Claus, waarvan de laatste regel luidt: 'hij kon daar niet tegen als kind.' Waartegen niet? Tegen die hele jeugd niet, tegen een Westvlaamse boeren-achterlijkheid die van Streuvels geleend is niet; (juister is een kleine-middenstands-achterlijkheid, boeren zijn eerlijker); tegen een pedagogie van slagen en oorvegen niet; tegen een familie van alcoholische ratés niet; tegen de verschrikkingen van domheid niet; tegen de ramp van de seksualiteit niet; tegen zijn eigen sadisme niet, dat hij onbewust als protest ontwikkelt; tegen de jarenlange kanker van zijn moeder niet; tegen de absolute schoonheidsloosheid van dit leven niet.

Goudeseune besluit dan ook al in zijn puberteit om dichter te worden. In het verhaal 'Jioe-jitsoe' wordt hij daar zeer om geplaagd. Hij doet als plusminus vijftienjarige een vakantiejob bij een bakker. Een oudere collega volgt Japanse vechtsport, hoog opgevend over oosterse krijgskunst. Probeert gij het eens, vraagt hij. 'Er worden ook haikoe's geschreven in het Oosten', meent Goudeseune te moeten zeggen. Die pretentie wordt genadeloos afgestraft. Iemand, waarschijnlijk deze jioe-jitsoebeoefenaar, rukt zich af in een plak brooddeeg, en Goudeseune wordt nagewezen als de rukker. Nog grotere schaamte valt hem ten deel: de hitte in de bakkerij maakt dat zijn aars ontsteekt van het zweet. Hij behelpt zich met propjes wc-papier, tot zo'n propje op de grond valt, met een kloddertje stront eraan. 'Duwt er een tampon in Goudeseune, gelijk de wijven!' lacht een collega.

Maar naar mate hij meer vernederd wordt, klampt hij zich vaster aan zijn literaire droom. Literatuur is zijn jioe-jitsoe, om zich uit een jeugd vandaan te vechten. Het pleit voor Goudeseune dat hij zijn puberaal literair gekakel even genadeloos neerzet als de kakelende domheid van zijn familie.

Op de dag dat hij zijn eerste literair prijsje in ontvangst mag nemen, verneemt hij tegelijk dat zijn moeder eindelijk, na een lange kankercarrière, op sterven ligt. Twee keer een bevrijding.

Het slot is prachtig. Goudeseune vergelijkt het met The purple rose of Cairo van Woody Allen, waarin Tom Baxter, filmacteur, uit het doek stapt naar Mia Farrow, een kijkster die daar al de vijfde keer zit te kijken. Zelf stapt hij in het doek. Het doodsbericht heeft hem bereikt net als hij een eigen leven begonnen is. Hij stapt een laatste keer de afschuwelijke film van zijn jeugd in, het leven van zijn moeder. Het boek eindigt als volgt: 'Uit de muur komt het Kol Nidrei van Max Bruch. en ook ik stap hier uit mijn film. Wat volgt: lichtspatten, de in cirkels opflakkerende cijfers 3, 2, 1, een vermenigvuldigingsteken, zwart. En daarna ook dat zwart niet meer.'

Zijn jeugd is voorbij. Zijn moeder is voorbij. Zijn eerste boek is voorbij.

Kwellingen

Er staat één verhaal in dit boek dat me een beetje wrevelig stemde. 'Contrarie'. Het is van een bijna pijnlijke langdradigheid, van een hemeltergend niet-gebeuren. Aanvankelijk was ik geneigd dit het minste verhaal uit de bundel te vinden. Achteraf vind ik het een van de sterkste. De lezer wordt hier wel heel drastisch gedwongen om mee te lijden aan de kwellingen van Goudeseunes jeugd: verveling, onbegrip, domheid, robuuste tactloosheid, levenswijsheid, schijnheiligheid.

Dit hele boek is geschreven uit pijn, pijn aan de moeder, aan de schrijver, aan domheid, aan haar kanker, aan de eigen wreedheid. Goudeseune zet een wereld neer van kinderlijke gruwel, waarin seks net zo rauw wordt verbeeld als ik het me herinner ('Velle beweert dat een vrouw haar kindje kakt. Het wordt daarna gewassen, want het zit helemaal onder de stront natuurlijk'), en waarin vroege wreedheid herinnert aan Reve's Werther Nieland en eigenlijk een averechts soort oefening in gevoeligheid is.

Het kortste verhaal uit de bundel illustreert dat aardig: 'Myxomatose'. Daarin slagen jongens erin een ziek konijn te vangen. Ze hangen het aan een touw aan een boomtak en ranselen het dood. Vervolgens willen ze het villen, maar dat mislukt. Als de ik thuiskomt verneemt hij dat hij voor zijn moeder moet bidden. ''t Is kwaadaardig'. Later op de avond gaat hij terug naar het bos. 'Het konijn hangt er. Het beweegt nog.' De nevenstelling van de kleine-jongenswreedheid met de grotere wreedheid van het leven zelf, werkt perfect.

Dit boek is wel zo door en door Vlaams dat ik me afvraag wat men er in Nederland mee aan moet. Er staat een voetnoot in, waarin wordt uitgelegd wat TAK is (Taal Aktie Komitee). Dat werkt humoristisch: het hadden net zo goed vijfhonderd voetnoten kunnen zijn. Voor mij heeft het een aanstekelijke, onmiddellijke herkenbaarheid. Laten we hopen dat Hollanders dat exotisch vinden. Ik bedoel: ik geef me meteen gewonnen voor een typering als 'Nonkel Maurice (-) heeft een hazelip en praat met de fff.' Iemand anders is 'beenhouwer van beroep en karakter'. Goudeseune schrijft krachtig beeldend: al op de eerste bladzijde gaat een oom in Canada op zoek naar 'armdikke goudaders'. Ze drinken daar moutwhisky 'in plaats van ordinaire, pisgele export.' Later, in het college, zit een pater te bidden 'op spuwafstand van het altaar'. Als het boek al een fout heeft, is het dat die taalplastiek soms te ongeremd zijn gang mag gaan: een tante bukt zich. 'Haar schort, een tuin van nylon, spant zich rond haar geweldige achterste.' Hier en daar moet Goudeseune nog wat afleren. Maar bijleren niet zoveel meer.

    • Herman de Coninck