Haagse proporties

HET DEBAT OVER de toekomst van de sociale zekerheid is deze week in de Tweede Kamer tot de bekende Haagse proporties teruggebracht.

Wat de uit bijna alle politieke stromingen bestaande parlementaire enquêtecommissie wel lukte, te weten een fundamentele herbezinning op het stelsel, bleek niet te zijn weggelegd voor de Tweede Kamer als geheel. Dat principiële debat kwam op dit moment, met de verkiezingen en een kabinetsformatie in het vooruitzicht, voor de meeste partijen ongelegen. Zoals de geschiedenis heeft geleerd, komt dat debat altijd ongelegen. De huidige lappendeken die doorgaat voor sociaal zekerheidsstelsel is juist ontstaan door het ontbreken van de samenhangende visie.

De parlementaire enquêtecommissie heeft deze zomer een poging gedaan de inertie te doorbreken door met enkele gedurfde voorstellen te komen die de kern van het systeem raken. De waardering voor het baanbrekende werk was groot vooral ook omdat de Kamerbreed samengestelde commissie tot unanieme aanbevelingen was gekomen. Maar in de Tweede Kamer bleek deze week dat de commissieleden tijdens hun werkzaamheden de eigen fracties zijn ontstegen. Illustratief was de beoordeling die voorzitter Buurmeijer van de enquêtecommissie gisteren na afloop gaf van het debat. De aanbevelingen zijn volgens hem niet verworpen, maar nog niet verzilverd. Een treurig makender conclusie is nauwelijks te trekken. Het komt er op neer dat de erkenning van de noodzaak voor het treffen van de maatregelen er wel is, maar de bereidheid om daadwerkelijk stappen te ondernemen nog niet.

Het is weliswaar begrijpelijk dat de politiek wat huiverig is tegenover grand design-denken. Te vaak heeft dat tot stilstand geleid. Kleine stapjes in de goede richting zijn op zijn minst zo effectief. Probleem is alleen dat nu het risico levensgroot is dat het noch tot een grand design noch tot stapjes in dezelfde richting komt. Dat is teleurstellend.

DE BALANS OPMAKEND na de eerste ronde van het debat over de bevindingen van de enquêtecommissie is duidelijk dat een verdere herbezinning op de WAO voor een meerderheid van de Tweede Kamer ongewenst is. Of de radicale voorstellen van de Commissie-Buurmeijer op dit terrein de oplossing waren is overigens onzeker. Tijdens het debat werd duidelijk dat de aanbevelingen soms niet tot alle finesses waren doordacht. Want dat het gevolg was dat de WAO voor het grootste deel zou worden afgeschaft had ook de commissie niet voorzien. Maar om het denken over de WAO geheel stop te zetten, is het andere uiterste. Het enquêterapport biedt voldoende stof tot nadenken, ook nu de WAO-maatregelen van het kabinet eindelijk tot wet zijn verheven.

Een winstpunt is zonder meer dat de Tweede Kamer het er over eens is dat de machtspositie van de bedrijfsverenigingen moet worden doorbroken. De bedrijfstakgewijze uitvoering van de sociale zekerheid zal plaatsmaken voor regionale uitvoering. Dit betekent dat het monopolie van de georganiseerde werkgevers en werknemers wordt doorbroken. Het enquêterapport heeft aangetoond hoe desastreus deze combine van de sociale partners voor de sociale zekerheid zo nu en dan heeft uitgepakt. Helemaal voor niets zijn de werkzaamheden van de Commissie-Buurmeijer dus ook weer niet geweest.