Gedaanten

In een aardig weilandje aan de overkant van de Oude Rijn liep sinds het voorjaar een merkwaardig rund, een watoessi, een stiertje. Het was een slank en sierlijk beest. Hij had een levendige roodbruine kleur, met uitzondering van lichte kringen om zijn ogen en zijn snuit. Aan weerszijden stond een stevige conische hoorn, net of hij twee scheefgezakte feestmutsen op zijn kop had.

Ja, dat was het, een feestelijk gezicht, en dat ik dit in de verleden tijd beschrijf betekent niet dat hem iets is overkomen, maar dat hij in de loop van de zomer een andere gedaante heeft aangenomen. Wat aandoenlijk aan hem was is geleidelijk uitgegroeid tot iets imposants.

Al die tijd had het dier gezelschap van een Shetland-pony. Op den duur kwam het parmantige paardje niet hoger dan tot halverwege zijn schoft. Ze deden alles samen. 's Morgens kwamen ze samen naar buiten. Als het waaide stonden ze samen met hun kont naar de wind. Als het regende vonden ze samen beschutting bij een boom. Als de één begon te draven, draafde de ander mee. 's Avonds gingen ze samen naar binnen. Ze leefden kortom in een volmaakte ongelijksoortige harmonie. Het kan haast niet anders of de watoessi heeft die pony als een watoessi beschouwd.

Nu is de pony uit het weilandje verdwenen. Er is een watoessi-kalf voor in de plaats gekomen, een koetje. Nu moet de ene watoessi de andere als zijn nieuwe pony leren zien.

    • Koos van Zomeren