De revolte die gelukkig niet doorging; Jean-Francois Lyotard over de nostalgie naar mei '68

De mens kan niet alles en weet niet alles - en dat zal altijd zo blijven. Volgens de Franse filosoof Jean-François Lyotard wijst dit besef, door hem postmodern genoemd, het moderne optimisme op zijn grenzen. In zijn laatste boek analyseert hij hoe de mislukte revolutie van mei 1968 een nostalgische herinnering kon blijven.

Jean-François Lyotard, Moralités postmodernes. Uitg. Galilée, 213 blz. Prijs ƒ 59,45.

Lyotard geeft op 24 november om 20.30 uur een lezing in de aula van de Universiteit van Amsterdam (Singel 411). Een inleidende avond vindt plaats op 22 november in Theater De Balie, aanvang om 20.30 uur (Kleine Gartmanplantsoen 10). Reserveringen tel. 020-6232904.

Vijfentwintig jaar geleden brak in Parijs een kortstondige opstand uit. De veteranen mochten er in het afgelopen voorjaar nog eens op terugblikken. Was het een revolutie, of een uit de hand gelopen kinderspel, zoals de socioloog Raymond Aron meende? Geen echte revolutie, en slechts op een bepaalde manier kinderspel, schrijft de filosoof Jean-François Lyotard in zijn zojuist verschenen boek Moralités postmodernes.

Hoewel de titel anders suggereert, valt het woord 'postmodern' in het boek nauwelijks. Lyotard vermijdt het sinds het een gemakzuchtig modewoord is geworden. Dat het in de titel figureert had wellicht een commerciële reden, tenslotte heeft Lyotards roemruchte opstel Het postmoderne weten uit 1979 het ook goed gedaan.

De Parijse jeugd van '68 wilde zich volgens Lyotard uit onmondigheid bevrijden, geen kind meer zijn, maar deel hebben aan een emancipatiegeschiedenis die van de Verlichting via Marx naar het heden liep. Maar de opstand werd geen werkelijke revolutie. Van een wisseling van regime was geen sprake en dat ontsloeg de rebellerende jeugd van de plicht om de droom van het onmogelijke te vertalen in de politiek van het mogelijke. Het behoedde Frankrijk voor het schrikbewind waarin zo'n plicht in het kielzog van een revolutie pleegt uit te monden. Zo kon 'mei 68' een dankbare herinnering blijven aan een gerechtvaardigd verlangen, dat door het politieke echec van de revolutie niet was weerlegd, maar juist werd behoed.

Het is de vraag of de opstandigen toen met zo'n bescheiden rol tevreden waren geweest. Zij geloofden nog in hun utopie. 'Onder de troittoirtegels ligt het strand', schreef een graffiti-schrijver, al werd de verbeelding die aan de macht moest komen al snel vervangen door het minder speelse marxistische jargon. Het diskrediet van die heilsleer liet nog enkele decennia op zich wachten.

En niet alleen het marxisme verloor volgens Lyotard zijn geloofwaardigheid. Alle ideologieën en geloofsovertuigingen die beweerden de hele werkelijkheid te verklaren en de mensheid naar het heil te kunnen leiden werden aangevreten door toenemende skepsis. In zijn boek 'Het postmoderne weten' kondigde hij het einde aan van de alomvattende theorieën over de mens, de wereld en de geschiedenis, die hij de 'grote verhalen' noemde.

De historie is maar in beperkte mate plooibaar en het menselijk verlangen is oneindig veel groter dan zijn mogelijkheden. Naast de onmondigheid die de mens aan zichzelf te wijten heeft bestaat er nog een andere onmondigheid: het feit dat hij nu eenmaal niet alles kan en niet alles weet - en dat dat altijd zo zal blijven. Dat laatste besef noemde hij 'postmodern'. Het staat niet frontaal tegenover het 'moderne', want plannen en theorieën zullen er altijd worden bedacht. Het wijst het moderne optimisme alleen op zijn grenzen. Die beperking is ongeneeslijk, schrijft hij opnieuw in zijn laatste boek; ze werd al uitgedrukt door het klagende koor van de Griekse tragedie. En ze keert terug in de nostalgische herinnering aan 'mei 68', die pas voor ons een melancholieke betekenis heeft gekregen.

Steriel

Lyotard was lang betrokken bij de heftige discussies in het linkse Frankrijk van de jaren vijftig en zestig, vooral rond het tijdschrift Socialisme ou barbarie. Maar twee jaar voor de meirevolte van '68 trok hij zich terug uit het politieke debat dat steeds sterieler dreigde te worden, om zich te concentreren op de vraag wat er in die discussies stilzwijgend werd verondersteld en vooral wat erin werd vergeten. Enkele jaren later was Lyotard, die tot op dat moment nog maar één monografietje geschreven had, een van Frankrijks produktiefste filosofen geworden.

Wat hij ontdekt heeft was een klacht, die door de politieke debatten niet werd opgemerkt. Geen duidelijke en welomschreven klacht, maar een soort onhoorbaar steunen om onrecht dat geen plaats heeft in de grote politieke verhalen. Het communisme gunde de slachtoffers van de revolutie en haar sprongen voorwaarts geen plaats in de geschiedenis - maar alleen in het vuilnisvat daarvan. Voor het nazisme heeft Auschwitz officieel nooit bestaan.

Auschwitz is voor Lyotard niet zomaar een voorbeeld. In zijn boek Le différend (Het geschil), dat hij zelf zijn meest filosofische werk noemt, komt hij er uitgebreid op terug. Niet alleen voor de nazi's, ook voor de huidige revisionisten heeft Auschwitz nooit bestaan. De Franse historicus Faurisson schreef militant geen enkel hard bewijs te hebben gevonden van het bestaan van gaskamers.

Dat is volgens Lyotard niet alleen een kwestie van cynisme. De manier waarop Faurisson redeneert laat volgens hem zien hoe de taal zelf aanleiding kan geven tot grof onrecht, en dat onrecht tegelijk verbergt. In zijn argumentatie stelt Faurisson volgens Lyotard zulke hoge eisen aan zijn getuigen, dat alleen de slachtoffers onomstotelijk het bestaan van gaskamers hadden kunnen bewijzen. Faurissons eisen maken elke bewijsvoering dus bij voorbaat onmogelijk.

Taalspel

Net als Wittgenstein onderscheidt Lyotard in ons spreken een groot aantal taalspelen of genres die allemaal hun eigen wetten hebben. Een juridisch bewijs leveren is iets anders dan een politieke vergadering overtuigen, een verzoek indienen iets anders dan een twistgesprek voeren. Die genres zijn tot op zekere hoogte in elkaar vertaalbaar, maar daarbij zal aan de inhoud altijd te kort worden gedaan en dus onrecht ontstaan. Dit onrecht is nog groter wanneer het genre waarin een getuigenis wordt afgelegd in het geheel niet wordt erkend - zoals door de te strikt redenerende Faurisson.

Het tragische is, geeft Lyotard toe, dat onrecht nooit helemaal te vermijden is. Hij vergelijkt de genres waarin de taal uiteengevallen is met een archipel en stelt vast dat ieder eiland van die archipel, elk taalspel, altijd een deel van de werkelijkheid miskent. En er is niet één overkoepelend super-taalspel dat de verschillen tussen de andere kan overbruggen.

Het verwijt van relativisme is dan snel gemaakt, en het is Lyotard niet bespaard gebleven. Minstens in één opzicht is dat terecht: Lyotard lijkt nauwelijks nog onderscheid te kunnen maken tussen flagrant onrecht zoals in het geval-Faurisson en banale incidenten zoals die zich volgens zijn beschrijving in bijna elke conversatie voordoen.

Even gemakkelijk, maar wel ten onrechte, wordt Lyotard ethische onverschilligheid verweten. Onverminderd blijft het een ethische plicht, schrijft hij, om de klacht die niet gehoord wordt zó te vertalen dat ze in het juridische of politieke taalspel ter sprake kan komen. De oplossing daarvoor is het verbrokkelde denken, dat zijn eigen taalspel niet langer als het hele universum beschouwt en dus in staat is de klacht te vernemen die overal buiten valt.

Daarom heeft de filosofie ook de eveneens ethische opdracht voortdurend haar eigen grenzen te verkennen. Want net als elk ander taalspel denkt ze maar al te gemakkelijk dat ze geen grenzen heeft en dat er buiten haar denken niets anders meer bestaat: dat was de illusie van de 'grote verhalen'. Lyotard zoekt daarbij net als eerder Immanuel Kant, de nabijheid van de kunst, daar komt het theoretisch denken zijn grens tegen. Kant is een belangrijke 'gesprekspartner' voor Lyotard, die over hem publiceerde in Lessen over de Analytiek van het sublieme en Het enthousiasme. Ook voor Kant was de kunst hét grote struikelblok voor het zuivere denken: het fascinerende voorwerp dat de geest geboeid houdt maar daartegenover onherroepelijk soevereine materie blijft.

Maar waar Kant de schoonheid centraal stelt, spreekt Lyotard bij voorkeur over het sublieme - dat bij hem niet per se een positieve betekenis heeft. Schoonheid veronderstelt harmonie: een wereld die in evenwicht en in principe overzichtelijk is. Dat was Kants wereld nog net, al dreigde aan de rand al de ontwrichting. Het geweld dat zich niet liet beschouwen, maar dat de beschouwer overdonderde, zag Kant gesymboliseerd in het hooggebergte of de wijde zee: in die tijd symbolen van het schrikwekkende bij uitstek.

Bij Lyotard is dit sublieme dé ervaring geworden van het andere, waardoor de rede zich alleen nog maar aangedaan en overweldigd kan voelen. Dat zijn voor ons niet langer de bergen en de zee die zijn binnengehaald in de sfeer van de schoonheid - en tenslotte de kitsch. Wij ervaren het volgens Lyotard in de avant-garde kunst, die zich niet langer gewiegd weet in een harmonieuze, door God beschermde wereld. Rond de ontmoeting van materie en waarneming organiseerde hij in 1985 de geruchtmakende tentoonstelling Les immateriaux in het Centre Pompidou.

Het postmodernisme is in Lyotards ogen de correctie op het modernisme. Het gaat hem om de opening van een ruimte die die van het gearticuleerde denken te buiten gaat, maar die dat denken niet mag negeren. Die ruimte is de zee tussen de eilanden in de archipel van taalspelen. Het is de ervaring van het sublieme in het kunstwerk, dat de beschouwer overweldigt alsof hij aan het strand aan de dreiging van de zee was blootgesteld. En het is de ervaring van de grens van de politieke en historische verwachtingen waarop de melancholieke herinnering aan 'mei 68' stuit. Zo, schrijft Lyotard, trekt het postmoderne steeds weer door het moderne heen. Het strand ligt nog altijd vlak onder het trottoir.

    • Ger Groot