De muziek van Ton de Leeuw vertaald in tv-beelden

Antigone. Ned.3, 23.11-0.06u.

Een sacraal spel, gestileerde eenvoud, afstand, geen psychologische duiding, geen expressionisme, zo min mogelijk dramatische ontwikkeling. Wie de eisen kent, die de Nederlandse componist Ton de Leeuw stelt aan de ideale uitvoering van zijn opera Antigone, die deze zomer in het Holland Festival in première ging, zal meteen begrijpen dat die haaks staan op wat de meeste kijkers van een televisieprogramma verwachten. Moderne televisie is realisme, psychologisering, subjectiviteit en drama, het tegenovergestelde van wat De Leeuw met Antigone beoogde.

Wat moet dan de regisseur die een televisieregistratie maakt van De Leeuws opera? Je kunt niet van hem verwachten dat hij de camera gewoon ergens tussen het publiek zet om zo 'objectief' mogelijk de handeling op het toneel weer te geven. Dat levert volstrekt oninteressante beelden op. Zeker gezien de locatie, een brede, kale zandvlakte in de gashouder van Westergasfabriek in Amsterdam. Wat in de realiteit indruk maakte door de immense leegte van het speelvlak, zou op de televisie ineengeschrompeld zijn tot een onduidelijk, lelijk decor waarin vrijwel onzichtbare poppetjes zich bewegen.

Regisseur Bob Rooyens, die voor de NOS een registratie maakte van de opera van Ton de Leeuw, zag zich dus voor een moeilijke opdracht gesteld. Hoe vertaal je Antigone in tv-beelden, zonder al te veel onrecht te doen aan de idealen van de componist?

De keuze die Rooyens daarbij heeft gemaakt is helaas de verkeerde. In plaats van met bescheidenheid zichzelf te onderwerpen aan de schitterende muziek van De Leeuw, trekt Rooyens alle technische foefjes uit de kast, kennelijk met de bedoeling om de betekenis van de muziek en het verhaal te onderstrepen: over elkaar heen vloeiende beelden, detailopnamen die ingekaderd langzaam door het beeld heen glijden, slow-motion opnamen, enorme opstijgende zeepbellen waarin close-ups zijn geprojecteerd, de schaduw van een roofvogel die door het beeld flitst.

Soms is de betekenis duidelijk. Zoals wanneer de zangers van een mannenkoor worden geprojecteerd in het hoofd van een van hen. Want het koor is bij Ton de Leeuw in feite één persoon, Creon, de nieuwe, hardvochtige heerser van Thebe. Maar in veel gevallen leveren de beelden alleen maar fraaie plaatjes op, verbluffende technische trucjes, die niets aan de muziek (of aan de oorspronkelijke operaregie van André Engel) toe te voegen hebben.

Wat misschien bedoeld is als objectivering (de aandacht voor de techniek maakt de door Ton de Leeuw verfoeide inleving inderdaad onmogelijk), is in de praktijk verworden tot mooibeelderij. Want mooi zijn ze, de beelden, en met zorg gekozen, voortreffelijk gemonteerd en soms vanuit een prachtig onverwacht perspectief.

Toch is de muziek de grote verliezer in deze registratie. Dat blijkt al meteen in het begin, als tijdens de 'credits' de inleidende muziek klinkt. Waar de muziek de impuls zou moeten zijn voor de beelden, krijg je als kijker het gevoel dat de beelden de muziek dirigeren. Het meesterwerk van Ton de Leeuw wordt daardoor veredelde filmmuziek.