De dolle mullahs II

Niet zonder moeite heb ik eens het verhaal opgebiecht van iets dat ik als kind gedaan heb en waar ik mij voor schaam. Dat verhaal is het volgende:

Op de plantages op de Oostkust van Sumatra was het voor de oorlog nog 'adat' dat de Javaanse koelies van hun fiets stapten wanneer ze een Europeaan tegenkwamen. Op een keer, ik was een jaar of zeven en met vakantie thuis van het internaat, was ik aan het spelen op de weg voor ons huis. Er kwamen een paar koelies aanfietsen en die stapten niet af. Dat was ook niet gebruikelijk, dat deden ze voor een volwassene, niet voor een kind. Maar ik wilde dat er ook voor mij werd afgestapt en ik riep: 'Toeroen!' (afstappen).

Ze deden het, ze stapten van hun fiets. Dat bracht mij in grote verwarring, want ik besefte dat ik iets gedaan had dat niet in orde was. Wat nu? Ik was maloe (beschaamd) en wist niet beter te doen dan ze te bedanken en daarna gaf ik ze alle drie een hand, hetgeen de verlegenheid van alle betrokkenen er niet minder op maakte.

Dat deze gebeurtenis mij zo bij is gebleven komt vermoedelijk ook doordat ik meteen daarna bij mijn vader op het matje werd geroepen: mijn ouders zaten op de voorgalerij en hadden alles gezien; op niet mis te verstane wijze werd mij aan het verstand gebracht dat wat ik gedaan had ongepast was. Nog altijd overvalt me een gevoel van schaamte als ik aan dit voorval denk, ook nu ik het hier weer beschrijf.

Deze bekentenis heb ik eens gedaan tijdens een televisieuitzending; het ging over Nederlands-Indië en ik vertelde het om een idee te geven van de uitwerking die de Nederlands-Indische verhoudingen konden hebben op iemand die daar opgroeide. Of in elk geval op mij, want het was zoals wij zullen zien niet voor iedereen hetzelfde.

Een interessant voorbeeld geeft Joop van de Berg, in: 'Indië had niet mogen bestaan', opgenomen in Indië in Holland, door Hans Visser (Bijenkorf/Conserve 1992). Van den Berg vertelt daar hoe hij, toen hij naar school ging, “leerde dat er op school drie soorten kinderen zaten. Allereerst de blanke, 'die deugden'. Dan had je de lichtbruine kinderen, 'die niet deugden'. En tot slot de kinderen die helemaal bruin waren, die dus 'helemaal niet deugden'.” Zo ging dat inderdaad; het werd niet altijd in zoveel woorden gezegd, maar kinderen in Indië kregen dat met de paplepel naar binnen en wisten in het algemeen niet beter of het hoorde zo.

Behalve dan Joop zelf; hij vervolgt: “..toen mijn moeder eens vertelde dat we een nieuwe dominee zouden krijgen, voegde zij daar een beetje waarschuwend aan toe: 'Maar hij is getrouwd met een Indisch meisje'.” Ook dat is nog volkomen overeenkomstig de daar en toen gangbare mores. Maar dan zegt hij: “Ik begreep niet waarom dat verkeerd zou zijn. Ik was in Indië geboren, dus voelde ik me net zo goed Indisch.” Dat laatste nu is opmerkelijk, het tragische was nu juist dat zulke dingen zo vanzelfsprekend aanvaard werden; het toont dat de jeugdige Van den Berg uit een beter hout was gesneden dan andere Indische kinderen, bij wie dergelijke scrupules pas veel later kwamen (en bij wie het vermoedelijk ook niet gauw op zou komen om aan de woorden van hun moeder te twijfelen). Tegenwoordig is dat natuurlijk allemaal anders, maar de meeste Indische kinderen bevonden zich, vrees ik, op een lagere trap van morele ontwikkeling dan hun tegenwoordige leeftijdgenootjes in Holland, die al op de peuterschool hun verontwaardiging hebben leren uiten over Zuid-Afrika en nu met de hele klas briefkaarten naar Duitsland sturen met de tekst 'Ik ben woedend'.

Wat dat betreft zit er in Nederland blijkbaar iets in de lucht dat de geest veredelt, want zoals Beb Vuyk al eens opmerkte waren alle Indischmensen bij aankomst in Holland als bij toverslag van hun vroegere opvattingen genezen. Vervuld van ethische gevoelens stapten de repatrianten aan wal. Dat was het wonder van de repatriëring.

Natuurlijk wist iedereen dat in de Nederlands-Indische scholen en dienstbetrekkingen gediscrimineerd werd, dat Indischmensen (ja, ook de Indo's) vaak hardvochtig waren voor hun werkvolk, dat Indische dames (alweer met inbegrip van de Indo's) hun huispersoneel ongelofelijke scheldwoorden naar het hoofd konden slingeren, dat 'ongewenste intimiteiten' en 'misbruik van machtsposities' zwakke woorden zijn om te beschrijven waar de Indonesiërs aan blootstonden - maar het merkwaardige is dat er na de repatriëring niemand meer was te vinden die zich daar ooit zelf aan schuldig had gemaakt. Sterker nog, er kwam steeds meer een heilige verontwaardiging voor in de plaats: niets dan minachting was er nu voor die 'anderen' die zich zo hadden gedragen en er zulke opvattingen op na hadden gehouden.

Dat er in een dergelijk klimaat moed voor nodig is om eerlijk te zijn en uit te komen voor zo'n voorval als ik daarstraks heb beschreven kan ik uit eigen ervaring getuigen. Wat is gemakkelijker dan te zeggen: ja, dat is echt iets voor die Kousbroek, die man die ons leed niet wil erkennen, die was daar natuurlijk toe in staat; wij zouden zoiets nooit hebben gedaan!

Maar dan werd het verhaal tenminste nog ongeveer juist geciteerd. Ik had het de vorige week over de dolle mullahs die hun gif spuien in de Indische gemeenschap. Een van hen is iemand die ondertekent met 'J.A. Stolk, huisarts'. Ik laat hier nu letterlijk en zonder weglatingen volgen hoe deze huisarts in het tijdschrift Moesson van 15-1-1993 (blz. 25) het verhaal weergeeft dat ik hierboven heb verteld:

'In een televisie-interview vertelt de schrijver van het Oost-Indisch kampsyndroom dat hij als jongetje in een dokar naar school werd gebracht en hij paard en wagen liet stoppen wanneer een passant, een autochtoon, niet tijdig de tjapil van het hoofd lichtte en deze Javaan (?) of Sumatraan (?) kreeg dan heel fielterig en koloniaal pats-pats-pats van het manneke om de oren. Wat is dit voor een verhaal? De onzin van een kind, een man later en nooit volwassen geworden, kletskoek dus. Of is het een pathologische leugen en dito het boek, de boeken van dezelfde schrijver. Zou het echt gebeurd zijn, dat jongetje had niet meer geleefd. Jammer toch, denk je dan, dat pathologische leugens zo herkenbaar zijn en een wens op grond daarvan niet vervuld kan worden, niet vervuld mag worden. Waarom eigenlijk niet?'

Dat was de ene dolle mullah. De tekst werd me niet lang geleden door iemand toegestuurd, anders had ik wel eerder gereageerd. Volgens sommigen die ik het heb laten lezen is het een oproep tot moord; het lijkt me in ieder geval dat de titel van de rubriek waarin het verscheen, 'OP UW GEZONDHEID', niet helemaal toepasselijk is.

Volgende keer over de andere dolle mullah.