Architecten en conservatoren zijn psychopaten; Het nieuwe Louvre: imposanter, moeilijker, mooier

Het Louvre in Parijs is 21.500 vierkante meter groter geworden. In de gisteren geopende Richelieu-vleugel zijn onder meer de Franse en Noord-Nederlandse schilderkunst ondergebracht. Een gesprek met directeur Michel Laclotte en een rondleiding door de nieuwe zalen. “We hebben gekozen voor moderne soberheid.”

Het Louvre is za 20 nov open van 12 tot 24 uur en zo 21 nov van 9 tot 18 uur. Daarna gelden weer de gewone openingstijden: di gesloten, andere dagen 9-18u, wo tot 22u. De Richelieu-vleugel is bovendien ma open tot 22u.

Toegang tot het museum: via piramide, via Carroussel du Louvre (ingang voorlopig nog alleen aan de Rue de Rivoli) en in de Passage Richelieu, de poort tussen de Rue de Rivoli en het 'piramide'-plein, de Cour Napoléon.

Tarief: vanaf jan 1994: tot 15 uur 40 francs voor iedereen boven de 18; na 15 uur en zondags 20 francs. Bijzondere tentoonstellingen apart tarief.

Métro: Palais Royal-Musée du Louvre. Parkeren: o.a. in garage Carroussel du Louvre.

Het nieuwe Louvre is alles tegelijk: 800 jaar Frankrijk, een opgraving met een paleis vol schatten er bovenop. Een galerij van gekroonde en gekozen hoofden, van intrige en eerzucht. Maar vooral een tempel van republikeinse grandeur. Het volk dat het land terugnam van zijn erfelijke heersers schonk zich deze week een museum dat zijn gelijke in de wereld niet kent. Een doolhof van de verbeelding, een massa-attractie voor fijnproevers.

Vorige maand werd het ondergrondse Carroussel du Louvre in gebruik genomen, waar toeristen via eet- en winkelpromenades de bus uit en het museum in worden gelokt. Gisteren opende François Mitterrand plechtig de Richelieu-vleugel van het echte Louvre. Voor de 'chef d'état' een vorstelijke apotheose van zijn presidentschap. Voor Frankrijk een verdubbeling van hèt nationale museum.

Het is prachtig geworden, het nieuwe Grand Louvre. Op de plaats waar Philippe Auguste 800 jaar geleden ten kruistocht trok, koning Hendrik de Vierde om het leven werd gebracht, protestanten werden vermoord, Lodewijk de Veertiende zich door Molière liet vermaken, en Napoleon trouwde, voert nu een roltrap naar de hoogste verdieping. Als in een kunstwarenhuis reist men zonder inspanning langs het paleis van Khorsabad en de scepter van Karel de Vijfde naar het oudste portret van Frankrijk, naar Rubens en Rembrandt.

Om toch nog te verdwalen. Want het blijft het Louvre. Zaal na zaal, suppoost na suppoost, loop je in eindeloze rechthoeken. Tot je terug bent waar je een half uur eerder al verder wilde. De innemende Chinees-Amerikaanse meesterarchitect Ieoh Ming Pei heeft aan alles gedacht: zo veel mogelijk daglicht, veel gewone ramen, heldere lijnen, materialen die niet afleiden van de kunst waar het om gaat. Maar zonder fiets met radar is het niet te doen. Het Louvre blijft een beproeving van persoonlijkheid en richtinggevoel.

Hoe kan iemand directeur zijn van een museum dat 200 jaar na zijn opening het grootste en het mooiste van de wereld is geworden, en zo rustig blijven? Michel Laclotte zit in zijn donker betimmerde werkkamer aan een modern glazen bureau. Nauwelijks kunst aan de muur. Het verkeer en de Seine onder zijn raam. Hij zit er vergenoegd bij, alsof hij in deze openingsweek niets anders te doen heeft. Het grootste, het mooiste museum?

“Er zijn een paar grootste musea in de wereld. Het Metropolitan in New York. De Hermitage in Sint Petersburg lijkt misschien het meest op ons. Maar echt vergelijken kan niet. Zij hebben vooral impressionisten, aan de andere kant bijna geen Russen en geen primitieven. Zij hebben de mooiste Nederlandse verzameling, maar geen Vermeer. Die is pas in de negentiende eeuw ontdekt. Daar zie je ons voordeel: het Louvre kon zijn collectie in de negentiende en twintigste eeuw blijven aanvullen. Wij zijn de ontwikkelingen van de smaak blijven volgen en hebben Vermeer dus wel gekocht.”

Laclotte is net 64. Als conservator van de schilderkunst heeft hij vanaf 1966 mede het gezicht van het Louvre bepaald, sinds 1987 als directeur. Zijn hart ligt nog steeds bij de Italiaanse schilderkunst uit de veertiende en vijftiende eeuw, en bij de caravaggisten, maar hij heeft ook tentoonstellingen ingericht over andere periodes: van Ingres en Millet tot impressionistische landschappen. Dit jaar tekende hij voor De Eeuw van Titiaan in het Grand Palais en de eigen jubileum-tentoonstelling in het Louvre: Copier, Créer, van Turner tot Picasso. Hij speelde tussen 1978 en 1986 een belangrijke rol bij de inrichting van het Musée d'Orsay, waar de negentiende eeuw onderdak heeft gevonden.

Klassiek

Hij is niet het type museum-directeur dat zijn Louvre wil nalaten. Voor Michel Laclotte is een museum een uniek instituut met een eigen geschiedenis die men dient te respecteren. De conservatoren van afdelingen als Schilderkunst, Beeldhouwkunst, Kunstnijverheid, Islam en de Oudheid van het Midden-Oosten staan in zijn ogen aan het hoofd van hun eigen museum. Laclotte coördineert, bundelt, inspireert.

“Met de opening van de Richelieu-vleugel brengen wij geen spectaculaire nieuwe mise-en-scène of ideologie in de praktijk. Het is een klassieke presentatie, volgens simpele principes. De techniek is verbeterd: klimaatbeheersing, en vooral belichting. De architectuur van het Louvre is zelf zo sterk, dat de inrichting altijd relatief sober kon zijn.

“Tegelijkertijd zijn we de laatste vijfentwintig jaar eigentijds geweest in wat er aan tentoonstellingsruimten bij kwam. We hebben geen nieuwe zalen in negentiende eeuwse of neo-renaissance stijl laten bouwen. Het debat woedt in alle grote musea van de wereld: hoe richt je in? De Richelieu-vleugel is, op de muren na, compleet nieuw. We hebben gekozen voor moderne soberheid. Er zijn geen nieuwe pilaren en kroonlijsten gemaakt. De negentiende eeuw, noch enige andere periode uit de collectie is nagebootst. Dat is de lijn van het Louvre. Bij Amerikaanse musea is dat soms heel anders.”

Aan deze keus voor continuïteit is een titanenstrijd vooraf gegaan. Niet lang na zijn aantreden als president, in 1981, kondigde François Mitterrand het Project Grand Louvre aan. Het was één van de Grote Werken die onder Zijn Leiding tot stand zouden komen. En zo is het geschied.

Daarvoor moest wel het ministerie van financiën uit de Richelieu-vleugel worden gepraat - als minister resideerde de huidige premier Balladur daar nog in de jaren tachtig met genoegen in de oude staatsievertrekken. Financiën uit het Louvre, 128 jaar had het machtigste ministerie dat weten te voorkomen. En de slag om de piramide moest worden gevochten.

Nu de twee hoofdvleugels van het Louvre hun volle museum-functie zijn gaan vervullen, blijkt hoe geniaal het idee van die glazen piramide in hun midden is. Architect Pei zei daar deze week over: “Met dit stralende novemberweer komt hij goed uit, maar zelfs dan tast hij het oude gebouw niet aan. De piramide is in de eerste plaats functioneel, we konden alleen maar onder de grond een ontvangstruimte creëren, en er moest daglicht in vallen. Anders denkt iedereen in de metro te lopen. De vorm is niet specifiek Egyptisch, die bestond al veel eerder, piramides zijn van de hele mensheid.”

Het is waar, gisterochtend vroeg klom de zon langzaam over het oude Pavillon Sully en belichtte de piramide als een Monte Rosa bij kristalhelder winterweer. Haar functionele schoonheid accentueerde hoogstens de klassieke vormen van het hoofdgebouw. De piramide vervult bovendien voor het eerst ten volle haar rol als ondergronds rangeerterrein van publieksstromen: dit jaar willen vijf miljoen mensen het Louvre in. Als alles af is, verwacht men zeven miljoen bezoekers per jaar.

Seine

Voor ruim twee miljard gulden wordt in 1997 een museum van 60.000 vierkante meter opgeleverd - met de opening deze week van 21.500 vierkante meter is het grootste deel van het binnenwerk inmiddels klaar. Vroeger lag de helft van de collectie in de opslag, nu nog maar een derde. Nu de meeste steigers weg zijn, blijkt hoe knap de toegankelijkheid en de transparantie van het Louvre zijn vergroot. Het project heeft Parijs teruggegeven aan de Seine. Niet alleen zijn de gevels van het Louvre schoongemaakt en gerestaureerd, het hele gebied tussen het Palais Royal (aan de andere kant van de Rue Rivoli) en de rivier is een uitnodigend, open stadsdomein geworden. Architect Pei heeft nog een vervolgopdracht voor de perfectionering van de omgeving.

Langs de as Louvre-Défense is de kleine Arc de Triomphe opgeknapt en worden de tuinen van de Tuileries opnieuw ingericht. Tegen het jaar 2000 verbindt een nieuwe loopbrug dit immense gebied van groen en genoeglijkheid met de overkant en het Musée d'Orsay. Deze week is het museum 165 zalen groter geworden. Is Michel Laclotte, ondanks al deze prestaties en vooruitzichten niet bang dat het té veel wordt, een kermis?

“Het is natuurlijk gigantisch. Dat het toeristisch is, kan me niet schelen. Ik redeneer altijd: als uit iedere bus drie mensen worden gegrepen door wat zij hier zien, dan is het de moeite waard, dan mag de rest de Virgin Megastore in. Het gaat ons niet om de miljoenen bezoekers, wij streven naar verbreding van het publiek, dat is het meest subtiele werk. Daar doen we alles aan, met lezingen, concerten, rondleidingen. Ik geef toe, ik heb er wel eens onrustige momenten over, maar je hebt gewoon parkeerruimte nodig, je moet mensen goed ontvangen.”

Tweederde van de bezoekers van het Louvre komen uit het buitenland. Dat baart Laclotte geen zorgen, hij hoeft er ook niet veel moeite voor te doen. De bordjes blijven alleen in het Frans, gidsjes en draagbare uitlegtelefoons zijn in veel talen. “Wij doen wel ons best meer mensen uit heel Frankrijk hier te krijgen. Het is het museum van de natie. Dat was al de bedoeling bij de oprichting in 1793. Ook als we geen revolutie hadden gehad. Je zag die nationale rol toen de strijd om de piramide oplaaide: allerlei Fransen die sinds hun schooltijd nooit meer in het Louvre waren geweest, bemoeiden zich er mee. Die toestand is nu gelukkig voorbij. Men erkent dat het geen object van overdreven speelsheid was.”

Daglicht

Het stevigste gevecht van de laatste jaren is over de inrichting van de nieuwe zalen gegaan. Vrij snel stond vast dat Pei en zijn team het oude ministerie zouden ontdoen van een paar hectaren tussenverdiepingen. Een gebouw met vijf of zes verdiepingen werd er weer één met drie lagen. De beeldhouwkunst en de islam beneden, kunstnijverheid en de salons van Napoleon III op de eerste en de Franse en Noord-Nederlandse schilderkunst op de tweede verdieping.

Dat laatste was een logische beslissing: omdat de schilderijen de muren vullen, kan daglicht alleen maar van boven komen. Pei heeft een ingenieus systeem bedacht waarbij al het beschikbare daglicht indirect wordt binnengehaald, alleen op donkere dagen en uren onzichtbaar aangevuld met kunstlicht. Die strijd heeft hij gewonnen.

De hoofdconservatoren hielden wel het been stijf over de kleuren van de zalen. Pei: “Ik geef de voorkeur aan neutrale, grijze achtergronden. Schilderijen hebben genoeg kleur van zich zelf. De rest leidt maar af.” Laclotte is het met hem eens: “Ik hou het meest van de kleuren van de jaren zestig: grijs, beige, maron glacé, maar in de hele wereld keert men terug naar zwaardere en somberder kleuren. Dat zal ook wel niet eeuwig duren.” En in aanwezigheid van een paar conservatoren, voegt hij, de strijd overziend, er aan toe: “Architecten en conservatoren zijn psychopaten.”

Dertig seconden later, na vertaling in het Engels, schiet Pei in een schaterlach. Alleen in de Rubens-zaal heeft hij zijn voorkeur voor lichte tinten mogen doorvoeren. Met grijsgroene houten wanden en een smalle strook groen marmer boven de eiken vloer. De andere zalen zijn, daarbij vergeleken, inderdaad zwaarder te verteren. Het heeft hem de pret niet gedrukt. De man die de spectaculaire Oostvleugel van de National Gallery in Washington mocht bouwen, noemt dit Grand Louvre het project van zijn leven.

Geld

Grote Projecten zijn altijd verbonden geweest aan mannen die groot wilden zijn en blijven. De gaullistische minister van cultuur, Jacques Toubon nam eerder deze week de vrijheid de Grote Projecten van de laatste presidenten even te sorteren. De Opéra Bastille, dat andere prestige-object van het zittende staatshoofd, noemde hij ronduit 'discutabel': “Het staat er en we trachten er het beste van te maken”. De Arche de la Défense, het grootse kantoren-paradijs aan de Westkant van Parijs, waar presidenten vanaf De Gaulle hun naam aan hebben verbonden, was 'architectonisch wel, maar functioneel geen succes.' Het Grand Louvre, ook al is het opgezet door een president uit het andere kamp, is het vele geld wel waard, 'zij het op andere gronden dan nuttigheid.' En over Mitterrands laatste gift aan de natie, de imposante Bibliothèque de France, zei Toubon: “Het had ook anders gekund, maar het project is uitvoerbaar. Maar daarna is het op. Ik heb orde op zaken moeten stellen in de Grote Projecten. Voorlopig is er geen geld meer voor.”

Het nieuwe Louvre is imposanter, moeilijker en mooier dan het al was. Het toont straks 30.000 kunstwerken. En het laat vooral zien waar Fransen toe in staat zijn.