Als bij Haenchen de geest waait, stormt het meteen

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. Andreas Schmidt, bariton. Programma: C. W. von Gluck: balletmuziek uit Orphée et Euridice; W.A. Mozart: aria's KV nrs 513, 541, 432 en 584; F. Mendelssohn: Derde symfonie. Gehoord: 17/11 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 19/11 Sittard.

Harmut Haenchen overtuigt meestal meer tijdens voorstellingen in het Amsterdamse Muziektheater, waar hij chef-dirigent is van de Nederlandse Opera, dan bij concerten op het podium van het Amsterdamse Concertgebouw. Op beide plaatsen treedt hij op met het Nederlands Philharmonisch Orkest, waarvan hij sinds 1986 chef-dirigent is en dat hij op bewonderenswaardige wijze naar een hoger speelniveau heeft geleid.

Maar terwijl Haenchen in de theaterbak een enthousiaste en stimulerende uitstraling heeft, doet hij op het concertpodium meestal wat verkrampt aan. De concerten lijken vooral het etaleren van de zegeningen van tucht en vlijt, maat voor maat straf in de hand gehouden herhalingen van de repetities. Hij wekt de indruk dat met wat meer speelvrijheid ter plaatse misschien wel iets onverwachts moois en geïnspireerds zou kunnen ontstaan, maar dat hij dat met zijn eigen orkest (nog) niet aandurft.

Dezer dagen staat Haenchen drie keer voor het Concertgebouworkest, waarmee hij zes jaar geleden in het Muziektheater de beruchte - maar wat muzikale en vocale kwaliteit luid bejubelde - Tristan und Isolde begeleidde. Ook nu blijft het beeld van Haenchen wisselend: hij durft inderdaad het orkest zijn gang te laten gaan, maar meestal niet voor lang.

De balletmuzieken uit Glucks voor Parijs gemaakte versie van Orphée et Euridice kent Haenchen van zijn werk bij de opera. De Dans van de Furieën vergt inderdaad een duidelijke slag en daarvoor zorgde hij. In de etherische Dans van de zalige geesten liet hij het orkest los, zodat de muziek ook zweefde, mede dankzij de fraaie fluitsolo van Jacques Zoon. Maar omdat Haenchen altijd met beide benen op de grond staat, werd het toch niet zweverig. De lange Chaconne kon zich echter niet als pure concertmuziek bewijzen.

Over de vier Mozart-aria's, gezongen door Andreas Schmidt die de zieke Anton Scharinger verving, kan het best worden gezwegen. Schmidt leek geheel bevangen en toonde zo weinig expressie en tekstbegrip dat Mozart, ondanks Haenchens adequate begeleiding, een onbeduidende componist leek.

Mendelssohns Schotse symfonie bevestigde Haenchens wat ambivalente houding in die afwisseling van stevig aangevuurde Sturm und Drang en ontspannen pastorale romantiek. Misschien was - ook door de forse uitbreiding van de orkestformatie in de pauze - het contrast iets te sterk aangezet: als bij Haenchen de geest waait, stormt het ook meteen en blijft het klankbeeld niet meer helder. En de zonnige lyriek zou nog lustiger kunnen opbloeien. Maar als geheel was de uitvoering alleszins acceptabel.

    • Kasper Jansen