Achter de tralies gaat gewerkt worden

ROTTERDAM, 19 NOV. Nederlands humane gevangenisregime doet een paar stapjes terug. Dat is de belangrijkste teneur in de nog vertrouwelijke nota 'Werkzame detentie' over de toekomst van het gevangeniswezen, waarover gisteren in deze krant werd bericht.

Grote verrassingen biedt de nota niet, de meeste voorgestelde maatregelen zijn al uitputtend bediscussieerd. De verharding van de gevangenispopulatie werd tien jaar geleden al geconstateerd, en is sindsdien alleen maar toegenomen. Dat hangt samen met de opkomst van de alternatieve straf, waardoor 'first offenders' - delinkwenten zonder criminele voorgeschiedenis - buiten de gevangenismuren worden gehouden. Veertig procent van de gedetineerden is momenteel verslaafd. Justitie berekent daarnaast dat 24 procent van de gedetineerden door agressief of asociaal gedrag een 'beheersrisco' opleveren. Een kwart is daarentegen 'kwetsbaar' en heeft juist extra bescherming nodig. Een klein deel is zeer 'vluchtgevaarlijk'.

Dat leidt tot een toenemende specialisatie: extra beveiligde inrichtingen (EBI'S) voor vluchtgevaarlijken, drugsvrije afdelingen voor verslaafden die willen afkicken, individuele begeleidingsafdelingen (IBA's) voor psychisch 'kwetsbare', maar ongevaarlijke gevangenen, afdelingen voor agressieve gevangenen die een 'beheersrisco' vormen. Het aantal cellen op deze gespecialiseerde afdelingen zal toenemen. Dat leidt ook tot verschillende soorten bewaarders: de meer traditionele cipier voor de EBI, de bewaarder-maatschappelijk werker voor de IBA.

J.J.M. Helgers, directeur van de penitentiaire inrichtingen Oosterhoek en Grave, verwoordde begin dit jaar in deze krant de wanhoop van directies en bewakers over de nieuwe gedetineerden. Kleicurssen hebben weinig zin bij verslaafden, aldus Helgers. Puissant rijke kopstukken uit de georganiseerde misdaad, 'hopeloze' verslaafden en gedetineerden met persoonlijkheidsstoornissen hoeven volgens 'Werkzame Detentie' dan ook niet meer te kleien. Voor hen is er nog slechts het 'standaardregime' waarin arbeid centraal staat. Dat levert naar men hoopt een aanzienlijke besparing op, ten gunste van programma's voor gedetineerden die wel voor verbetering vatbaar zijn.

De beleidsnota van staatssecretaris Kosto moet nog getoetst worden en belangenorganisaties krijgen nog de mogelijkheid tot inspraak. Maar duidelijk is dat rechten en faciliteiten voor gedetineerden, die sinds de Tweede Wereldoorlog gestaag toenamen, voor het eerst weer worden ingeperkt. De positie van directie en personeel tegenover de gedetineerde wordt sterker, doordat ze meer kansen krijgen om gunsten uit te delen. Resocialisatieprogramma's - opleidingen en cursussen - worden van algemeen recht tot een individueel voorrecht “voor hen die aantoonbaar gemotiveerd zijn”. Ook de Vervroegde Invrijheidsstelling, tot voor kort een automatisme, wordt een gunst die zonodig wordt ingetrokken.

Een ander voorbeeld is het beklagrecht voor gedetineerden, ingevoerd in 1977. Dat recht heeft een bureaucratie van beroepcommissies in het leven geroepen - die zich over steeds meer kansloze en ,triviale'' klachten van gedetineerden moeten buigen - en wordt ingeperkt door het opwerpen van nieuwe 'beklagdrempels'. Dat gebeurt overigens op een moment dat gevangenen met allerminst triviale klachten over machtsmisbruik door gevangenisdirecties in het gelijk worden gesteld. Zo werd in Maastricht een gedetineerde in april 48 uur op 'de fiets' gebonden, een stalen bed waarop onhandelbare gevangenen tot rust moeten komen. Ook werd onlangs de zeer moeilijk handelbare 'ontsnappingskunstenaar' B.Q. in het gelijk gesteld toen hij zich beklaagde dat men hem permanent in een isoleercel opsloot.

Op het punt van beveiliging is de 'Werkzame Detentie' weinig specifiek. Wel kan het nieuwe beleid om bij gijzelingen de buitendeur van de gevangenis dicht te houden, nog tot pittige discussies leiden. Ook Kosto kan niet ontkennen dat hier “een zekere spanning bestaat” met de veiligheid van het personeel, maar op de lange termijn zou het gijzelingen voorkomen.

Opvallend is ook het optimisme in 'Werkzame Detentie' over de positieve werking van arbeid. Het “wennen aan de structurering van de dag rond de arbeid en het bijbrengen van arbeidsdiscipline” zou een positieve bijdrage leveren aan de integratie in de samenleving. Het aantal arbeidsuren wordt daarom opgeschroefd tot 26 uur per week, de produktie wordt op commerciële leest geschoeid. Het aantal uren recreatie loopt terug. De vraag is of deze positieve houding tegenover arbeid niet in de eerste plaats is ingegeven door het geconstateerde failliet van de resocialisatie.

Het is verhelderend 'Werkzame Detentie' te lezen naast 'Taak en toekomst van het Nederlandse gevangeniswezen', dat in 1982 verscheen. Over de rol van arbeid was men toen sceptisch, over het beklagrecht positief, omdat het gedetineerden mondig en verantwoordelijk zou maken. Illusies over de mogelijkheid om gedetineerden in de gevangenis om te vormen tot modelburgers, waren op dat moment al vervlogen. Toch besloot men op de ingeslagen weg van humanisering door te gaan: elke gedetineerde moest de kans krijgen “te werken aan zijn persoonlijke ontplooiing”, gemotiveerd of niet. Dat leidde tot een overaanbod aan activiteiten, die “slechts in beperkte mate gerelateerd worden aan het behalen van resultaten”, zo stelt staatssecretaris Kosto nu in 'Werkzame Detentie'. Die vrijblijvendheid is voorbij. Gedetineerden moeten wennen aan hun verscherpte 'standaardregime', en dat zal, ook volgens 'Werkzame Detentie', in de komende jaren tot spanningen leiden.

    • Coen van Zwol