Whisky in heaven

Gymmen tijdens de vlucht, lichtkuren, een pikdonker zoutbad, weinig of juist veel drinken: de juiste remedie tegen de jetlag is nog niet uitgevonden. Of het moeten de toeristen-maaltijden aan boord zijn. Maar die benemen je iedere lust tot eten, of wekken, eenmaal gegeten, de indruk nooit genuttigd te zijn. Met een ontbijtpakket bestaande uit een homp brood, een hardgekookt ei en een kopje oploskoffie kom je de Russische toendra ook wel over, evenals met een heupflacon whisky over Amerika's Mid-West.

Ga ik met de trein, auto of zeilboot op weg, dan voorzie ik mezelf en mogelijke reisgenoten altijd van een klein gezellig, pitrieten picknickmandje. Ervaring heeft me geleerd dat ik me beter nooit meer kan overleveren aan de gruwel van Nederlandse of Duitse wegrestaurants, om van de in plastic verpakte watachtige kadetjes van de Spoorwegen maar te zwijgen. Nee, geef mij maar een broodje door mijzelf met salami belegd, schijfje komkommer erbij, appel desnoods, een fles zuiverend water. Dat laatste leerde ik in Amerika: ga nooit zonder een fles water op stap.

Hoe anders is het wanneer ik van passagier over land of water in een luchtreiziger verander. Nauwelijks heeft iedereen zijn plaats ingenomen, of daar begint de wonderbaarlijke uitdeling. Hoofden buigen zich opzij en halzen strekken zich om van afstand te kunnen zien wat de stewardessen uit de ingenieuze aluminium karretjes, die net fornuizen op wieltjes zijn, te voorschijn toveren. Hun eeuwigdurende glimlach maakt dat ik me verheug op wat zich onder het laagje cellofaan bevindt.

Het is vreemd, maar wat op Schiphol wordt ingeladen heeft nooit mijn bekoring. Te dichtbij huis nog, te gewoon. Te veel smakend naar gaarkeuken of mensa, en vooral bereid in immense hoeveelheden. Dat proef je. Daar is niets aan te doen. Voor mijn geestesoog zie ik de miljoenen reepjes aardappel, de duizenden lapjes suddervlees, de blaadjes sla die aan waslijntjes te drogen hangen alvorens verpakt te worden. Koud is ook nooit koud, warm nooit warm, alles ertussenin.

Hoe verder van huis, des te beter. Een Noorse maatschappij serveerde eens verse garnalen. Aziatische maatschappijen sluiten aan bij de keuken van het land. Met rijst, kruiden en bijzondere vruchten. Fris en licht. Het vliegende Italiaanse restaurant op tien kilometer hoogte kan daarentegen op geen enkele manier wedijveren met de trattoria, zelfs de allereenvoudigste, beneden tussen de heuvels.

Op een nacht vloog ik eens van New York naar het Amerikaanse midwesten, met als bestemming Great Falls. Er waren slechts twee medepassagiers. Ineens werd naast mijn plaats door een co-piloot de vloermat weggetrokken, een luik geopend en keek ik regelrecht in het binnenste van het toestel. Erdoorheen liepen de staaldraden van de besturing. Die zaten vast of zoiets. De co-piloot sjorde eraan, vroeg aan een echte midwestern passagier een mes en verhielp het euvel. Op dat moment was ik allang neergestort. Drie passagiers, een paar bemanningsleden: het zou niet eens in de krant komen, dit nietige ongeval in het wijde Amerika.

Ik dacht: nu komen ze, als genoegdoening, met iets warms, mijn part een hamburger van Mc Donald's. De temperatuur in het toestel was om onbegrijpelijke reden fiks gedaald. Bij navraag bleek dat er niets aan boord was. Foutje bij het vertrek. Toen zette ik mijn hoogste troef in, in dat puriteinse land. Een whisky dan, een whisky in heaven. Ik kreeg een blik of ik bij aankomst door de sheriff werd ingerekend. Uren ging het nog verder in dat koude lege toestel, door de koude lege januarinacht van eerst South-Dakota en vervolgens Montana. Volgende keer neem ik een heupflacon mee, een picknickmandje en, op straffe van ontploffinsgevaar, mijn eigen reizend eenpits gastoestelletje.