Uitslag NRC Handelsblad enquête over universiteit; Alles is mis maar niets mag veranderd

(Overzicht vragen en antwoorden, pag.7, alleen in gedrukte versie of microfiche)

Meer dan drieduizend lezers (3.300) van NRC Handelsblad vulden de enqête over de universiteiten in, zo'n 1,3 procent van onze oplage. Dat is minder dan de 8.000 inzenders van de enquête over het middelbaar en het lager onderwijs twee jaar geleden, maar toch heel wat. Toen was ook de basisvorming volop in discussie en stonden de partijen nog geharnast tegenover elkaar na de discussie over de Middenschool.

3.300 inzenders was ook heel wat als men bedenkt dat de lezers nu zelf de envelop moesten frankeren. Enkele lezers belden hierover gebelgd op: 'Een mooie zaak van NRC Handelsblad! Van ons de moeite vragen om een enquête in te vullen om daar als redactie een stuk over te schrijven en dan moeten wij lezers daar nog voor betalen ook!? Had er nu niet iets aardigs verloot kunnen worden onder de inzenders? Dat was een leuke geste geweest, dan hadden veel meer mensen een enquête ingestuurd''.

Maar wij vonden het zo wel mooi genoeg. Meer inzenders had niet veel uitgemaakt. Of nu 1 procent, 3 procent of 5 procent van de lezers reageert - een echt representatieve steekproef onder de Nederlandse bevolking zal deze enquête nooit vormen. Dat is niet erg, want de uitslag zegt vooral wat over de mening van personen die zich betrokken voelen bij het wel en wee van de universiteiten. Hun mening geeft globaal de richting aan van de mening van de Nederlandse bevolking over de universiteiten. Er zijn echter enkele redenen om aan te nemen dat de inzenders over de universiteit gemiddeld andere opvattingen hebben dan de rest van de bevolking.

In de eerste plaats lag de gemiddelde leeftijd van de inzenders vrij hoog: 43,3 jaar. Slechts 0,7 procent was beneden de twintig jaar; 14,9 procent tussen twintig en dertig jaar; 18,1 procent werd gevormd door dertigers; 21,9 procent waren veertigers; 14,1 procent vijftigers; 14,8 procent zestigers; 7,0 procent zeventigers; en 1,5 procent was boven de tachtig. (Geen antwoord op de vraag naar de leeftijd gaf 7,3 procent).

In de tweede plaats waren het meer mannen dan vrouwen die de enquête opstuurden - twee staat tot een. Dat is jammer, want op de universiteit maken meisjes nu ongeveer de helft uit van alle studenten. Bij afgestudeerden is dat natuurlijk nog niet zo, dus de verdeling naar sekse komt daar meer in de buurt van die van de inzenders. Overigens oordelen mannen slechts zelden anders dan vrouwen.

Het hoge aantal academisch gevormden (73,2%) onder de inzenders, hoeft natuurlijk niet te verbazen bij een enquête over dit onderwerp. Het stijgt ver uit boven de opleidingsgraad van de gemiddelde NRC Handelsblad-lezer: 33 procent van hen is universitair gevormd. (De opleidingsgraad van de gemiddelde abonnee is aanmerkelijk hoger, maar hiervan zijn geen recente gegevens voorhanden.)

Ten slotte zijn zeker degenen die zelf werkzaam zijn aan de universiteit oververtegenwoordigd : 21,9 procent. Dit is zeker niet representatief voor de Nederlandse bevolking en ook niet voor de NRC Handelsblad-abonnees.

Commentaar

Ruim tien procent van de lezers gaf gevolg aan onze oproep om een zelf geschreven commentaar toe te voegen. Veruit het merendeel gaat in op het onderwijs en de massaliteit - niemand spuwde zijn gal over de verre buitenwijken waarin de universitaire gebouwen tegenwoordig verrijzen of de verantwoordelijkheid van de universiteit voor het beheren van erfgoederen van cultureel belang, zoals hortussen, musea en biblioteken. (Een keuze uit de inzendingen staat op pagina 7.)

Van de 3.300 inzendingen werden 2.000 ad random geselecteerd voor statistische verwerking. Dit werd uitgevoerd door Bureau Centrum voor Marketinganalyse te Amsterdam. De uitkomsten staan integraal op pagina 7 van dit nummer. Niet afgedrukt staan de nadere analyses, zoals de verschillen tussen de antwoorden van mannen of vrouwen, van universitair-afgestudeerden en HBOers enzovoorts. Waar dit relevant is worden deze verschillen hieronder gemeld.

Niveau gedaald

Wat is een universitaire opleiding waard? Het valt soms te merken dat iemand een universitaire opleiding heeft gehad. Dat was het antwoord dat driekwart (76,6%) van de inzenders gaf. Zo'n verschil maakt de drs.-, ir.- of mr.-titel dus niet. Toch dacht 15,0 procent dat het verschil altijd te merken was. HBO-ers geloofden dat wat minder: 10,1 procent zag altijd verschil. (Niet gevraagd was of deze de universitaire opleiding superieur of inferieur vinden. Er zijn HTS-ers die hierover een uitgesproken mening hebben.) Al met al een weinig schokkend antwoord.

Niveau

Wel uitgesproken was het antwoord op de vraag naar het niveau van de afgestudeerden. De helft (49,9%) van de inzenders meent dat het niveau is gedaald. Een kleine minderheid (7,4%) denkt dat het niveau juist is gestegen. 30,5 procent vindt dat het gelijk is gebleven. Uit de fijnere analyse blijkt dat ouderen het hardst oordelen over het niveau, maar veel verschil maakt het niet. Jongeren geven veel op dat ze het niet weten - een eerlijk antwoord als je niet kunt vergelijken.

Opzettelijk was direct hierna de vraag gesteld over het niveau van de gepromoveerde. Daar hebben de inzenders duidelijk meer vertrouwen in, al meent nog steeds 33,0 procent dat dit is gedaald. 40,0 procent vindt echter dat het gelijk is gebleven en 8,3 procent denkt zelfs dat het peil is gestegen. De conclusie is dat de nieuwe gepromoveerde (de gepromoveerde AIO of OIO) volgens de inzenders niet zo goed is als vroeger, maar zijn niveau minder ernstig is gedaald dan dat van de afgestudeerde.

Didactische kwaliteiten

Opmerkelijk is het antwoord op de vraag welke kwaliteiten voor een moderne hoogleraar het belangrijkst zijn. Didactische kwaliteiten, zegt meer dan de helft (53,4%) van de inzenders. Onderzoekskwaliteiten komen daar achteraan met 35,4 procent. Managementkwaliteiten komen, met 10,1 procent, onderaan het lijstje. Ouderen zijn kennelijk nòg iets bezorgder over het onderwijsniveau aan de universiteiten: 58,3 procent vindt didactische kwaliteiten voor een hoogleraar het belangrijkst. En ook bij de HBO-afgestudeerden wegen de onderwijskwaliteiten zwaarder: van hen vindt maar liest 68,3 procent didactische vaardigheden het belangrijkst (universitair afgestudeerden: 49,2%) en maar 23,1 procent onderzoekskwaliteiten (38,3 bij de academici). Ongetwijfeld speelt de relatief geringe plaats voor onderzoek in het HBO bij die uitkomst een rol.

Beter getrainde hoogleraren moeten kennelijk het antwoord vormen op de massaliteit, die door de inzenders als het grootste probleem van de universiteit wordt gezien. De hoogleraren moeten zich dus aan de studenten aanpassen en niet omgekeerd. Andere mogelijke 'remedies', zoals selectie aan de poort, een gevarieerde hoogte van het collegegeld of de oprichting van elite-universiteiten, worden de universiteiten niet gegund, zoals blijkt uit de antwoorden.

Selectie aan de poort

Selectie aan de poort wordt afgewezen door 42,5 procent van de inzenders. Bijna eenderde vindt dat er wèl overal aan het begin van de studie moet worden geselecteerd (29,9%), een kwart (25,0%) vindt dat wenselijk bij sommige studies. Nemen we deze beide categorieën samen, dan is toch meer dan de helft (54,9%) voorstander van toegangsselectie bij sommige studierichtingen. Dit in afwijking bij de gangbare praktijk in Nederland.

Moet een VWO-diploma met een passend pakket altijd toegang bieden tot de universiteit? Een meerderheid vindt van wel (59,1%) vindt van wel - enigszins in strijd met het antwoord op de vraag naar toegangsselectie. 36,9 procent, een omvangrijke minderheid dus, wijst het VWO-diploma af als enig toegangsbewijs voor de universiteit. De ouderen zijn in het algemeen iets minder enthousiast over het VWO-diploma: 42,7 procent van de zestig-plussers wijst dat diploma als toegangsbewijs af.

Geen elitefaculteiten

Elite-faculteiten die zelf bepalen welke studenten ze toelaten, zijn niet wenselijk, oordeelt ruim de helft (51,8%). Maar een grote minderheid (41,6%) is wèl voor zulke faculteiten - opnieuw vooral de senioren.

Op één punt wordt selectie door de meeste inzenders wèl toegestaan, namelijk bij studies met een numerus fixus. Loting wordt zonder meer afgewezen als middel om te bepalen welke studenten bij een populaire studie worden toegelaten: driekwart (73,6%) vindt dat daarvoor in de plaats een systeem van selectie moet komen.

Enkele andere maatregelen die de huidige uniformiteit van de universiteiten zouden doorbreken worden afgewezen. Universiteiten mogen niet zelf de hoogte van het collegegeld betalen (69,7%), hoogleraren en docenten in 'schaarse' vakken mogen geen hoger salaris krijgen (55,9%), studenten die zo'n vak kiezen hoeft evenmin een hogere beurs te worden gegund (82,9%) en uitmuntende studenten, vinden de inzenders, hoeven ook niet met een hogere beurs beloond te worden (74,0%).

Over al deze punten zijn jong en oud het eens, zij het dat de ouderen opnieuw iets meer geneigd te zijn zulk onderscheid toe te staan. Van de senioren vindt bijvoorbeeld 26,7 procent nog wel dat uitstekende studenten een hogere beurs moeten krijgen, vergeleken met 14,5 procent onder de inzenders onder de 30 jaar.

Het beleid van staatssecretaris Cohen om het verschil tussen universiteiten en HBO aan te scherpen, mag op gematigde instemming rekenen van de inzenders. Een overgrote meerderheid (86,4%) vindt dat het huidige onderscheid tussen hoger beroepsonderwijs en universiteiten moet blijven bestaan. De tegenstanders van opheffing van dat onderscheid zijn over de hele linie in de meerderheid, maar het sterkst vertegenwoordigd onder de inzenders die jonger zijn dan 30 jaar: van hen vindt slechts 3,2 procent dat HBO en wetenschappelijk onderwijs kunnen worden samengevoegd. Bijna alle nog studerende inzenders vinden dat dat niet moet (92,3%).

Het is interessant te zien dat de studenten in deze enquête bijna alle veranderingen, aanscherpingen of extra eisen afwijzen. Het is gissen naar de reden - welbegrepen eigenbelang, behoudzucht of gewoon het besef dat de studiedruk al groot genoeg is en alle veranderingen het alleen maar extra moeilijk maken.

De scherpe veroordeling van vervagende grenzen tussen HBO en universiteit is nogal opmerkelijk. Want Nederland staat met het scherpe onderscheid tussen universiteit en HBO tamelijk alleen in de wereld - in de Verenigde Staten bestaat er geen enkel verschil, in Groot Brittannië worden de Polytechnics als universiteiten beschouwd, in Duitsland en in Italië zijn er vele tussenvormen en in Frankrijk zijn het niet de universiteiten maar de Grandes Écoles die het hoogste aanzien hebben.

Stapelverbod

Mag een Nederlander meer dan één studie doen? Het 'stapelverbod' van Cohen vindt geen instemming bij de inzenders, ruim de helft (51,4%) wijst dit verbod af. Daarmee houden de inzenders niet alleen de mogelijkheid open om verschillende academische studies te doen, maar ook om na een voltooide HBO-studie door te stromen naar de universiteit. Of dat laatste ook hun bedoeling is, is nog maar de vraag en is niet zonder meer uit de enquête op te maken.

Uitgesplitst naar opleiding blijken de HBO-afgestudeerden onder de inzenders het in meerderheid juist wèl eens met een beperking tot één volwaardige studie: van hen vindt iets minder dan de helft (49,3%) dat één studie genoeg is (47,4 procent oneens). Onder de academici liggen de verhoudingen omgekeerd: iets meer dan de helft (50,9%) is het oneens met zo'n beperking (44,4% eens). Niet uitgesloten is dus dat de inzenders aan uitsluiting van twee academische studies denken.

Vrouwenstudies

Horen studierichtingen als Europese Studies, communicatiewetenschap en Vrouwenstudies thuis aan de universiteit? De grootste groep (47,2%) vindt van niet, en dat komt vooral door het hoge percentage zestig-plussers dat zulke studies afwijst (58,6%). Maar een grote minderheid (38,3%) staat tolerant tegenover de 'modieuze studies'.

Opmerkelijk is dat net het omgekeerde geldt bij een verwante vraag: mogen universiteiten zich van elkaar onderscheiden met nieuwe studierichtingen? In de praktijk zijn dit vaak dit soort 'modieuze' studies. 48,9 procent vindt dat goed, 41,8 procent juist niet. Erg uitgesproken zijn de lezers hier dus niet.

Wel heel duidelijk is het antwoord op de vraag of de drs.-titel moet blijven. Ja! zegt 62,0 procent. Vooral jongeren - onder de dertig - vinden dat (74,6%). De HBOers zijn daar wat minder stellig over (50,4%). En het stelligst de studenten zelf (76,3%). Achteraf is het jammer dat de vraag 'Moet iedereen doctorandus worden?' niet is opgenomen.

Erfgoederen

Een grote meerderheid vindt voor de universiteit een taak weggelegd voor het behoud van erfgoederen van cultureel belang, zoals botanische tuinen, musea en bibliotheken. Op dit punt staan de inzenders recht tegenover het gangbare beleid, dat grote opruiming houdt onder alle universitaire franje. Nog afgelopen maand werd voorgesteld om het personeel van de Leidse Hortus Botanicus en het Rijksherbarium tot minder dan een kwart terug te brengen.

Hoort een universiteit in het centrum thuis? De helft (49,2%) vindt van niet, de gebouwen kunnen wel aan de rand van de stad of helemaal erbuiten, zoals de Groningse Paddepoel, de Utrechtse Uithof en De Boelelaan van de VU. 40,0 procent vindt dat de universiteit wel in de stad moet. Studenten zijn hierover stelliger (53,8% wil in het centrum), net als afgestudeerden in de letteren (55,3%). De technici, natuurwetenschappers en medici vinden het buiten de stad prima - 63,1 procent vindt dat de universiteit niet in het centrum hoort. En daar zitten ze dan ook tegenwoordig.

In sommige studierichtingen is het moeilijk om goede docenten aan te trekken, omdat het schaarse talent door het bedrijfsleven wordt weggelokt. Mag dit probleem opgelost worden door docenten in dit soort vakken een hoger salaris te bieden? Nee, vindt de meerderheid (55,9%); ja, zegt een omvangrijke minderheid (40,1%). Inzenders met een letteren-opleiding staan het sterkst afwijzend (73,3% nee). Dit verklaart misschien ook waarom vrouwen hier een duidelijk nee laten horen (70,3%).

Bijklussen

Mogen inkomsten verworven met werkzaamheden buiten de universiteit (het 'bijklussen') zelf behouden worden? 15 procent vindt van wel. Opmerkelijk aan dit minderheidsstandpunt is dat dit percentage bij alle groepen even hoog is, dus onafhankelijk van opleiding, studierichting, geslacht of leeftijd. Hetzelfde geldt voor de nee-zeggers, die vinden dat het geld ten goede moet komen aan de vakgroep (15,9%). De grote meerderheid (67,1%) vindt dat de inkomsten door een contract verdeeld moeten worden. Dit is de huidige praktijk, al zal deze nog wat worden aangescherpt. Staatssecretaris Cohen ondervindt ruime steun voor zijn beleid.

Een nogal technische vraag over de bachelor's degree werd door een meerderheid afgewezen. Tijdens de opening van het academisch jaar werd in Tilburg de mogelijkheid geopperd om het kandidaats weer in te voeren. Een tweejarig kandidaats, vergelijkbaar met de Angelsaksische bachelor's degree, schept de mogelijkheid om studenten die anders zouden uitvallen, toch met een diploma de wereld in te sturen.

Dit idee wordt door 52,4 procent afgewezen. Helemaal van tafel is het Tilburgse voorstel onder de inzenders niet - 37,1 procent ziet er wel iets in. Een kleine aantekening is op zijn plaats. In de Angelsaksische landen selecteert de universiteit de studenten zelf, waardoor de propaedeutische selectie, een Nederlandse gewoonte, niet nodig is. Daarnaast komen veel Britse en Amerikaanse studenten vaak op de universiteit met de bedoeling om alleen een bachelor's degree te halen, het wordt niet direct als een afgang beschouwd.

Weet niet

Op de vraag 'Wat vindt u van de invloed van de vakbonden op het personeelsbeleid?' kwam een overdonderend 'Weet niet' (63,9%) - zelfs bij inzenders die zelf aan de universiteit werkzaam zijn, was dit het algemeenste antwoord (44,1%). Kennelijk bestaat dit probleem in het geheel niet.

Ook is een meerderheid niet ontevreden over de ambtelijke status van de universitaire medewerkers (die reorganisaties nogal bemoeilijkt). 45,6 procent vindt dat universitair personeel ambtelijk kan blijven, een minderheid van 32,8 procent vindt juist van niet. Ook hier veel 'Weet niet' (21,4%).

Werkloosheid in bepaalde studierichtingen is niet de zorg van de overheid. 56,1 procent is tegen regulatie, een grote minderheid (38,9%) vindt dat dat wel kan. Hoe de overheid zou reguleren, bleef bij deze vraag in het midden. Maar wat zeker niet mag, is studenten in 'schaarste-studierichtingen' een hogere beurs geven - 82,9 procent was daar tegen.

Massaliteit

Tenslotte de pièce de résistance: wat is het belangrijkste probleem aan de universiteit? De twee vragen geven een eensluidend antwoord: de massaliteit met 28,9 procent (en niet Zoetermeesre regelzucht zoals abusievelijk in een eerdere bon in deze bijlage stond, dit is een sterke tweede met 27,3 procent). Het antwoord 'massaliteit' treft temeer omdat ook vergelijkbare problemen redelijk hoog scoren: verschoolsing van de studie (19,3%) en te weinig studiebegeleiding (6,0%).

Nauwelijks een probleem vinden de inzenders de regelzucht van het universiteitsbureau (2,1%), de universiteitsraad (1,6%) en ordeproblemen in de collegezaal (2,1%).

Opmerkelijk ten slotte is dat studenten het meest onder de massaliteit gebukt gaan (37,9%) en inzenders die werkzaam zijn aan de universiteit het minst (18,9%). Dezen wijzen de Zoetermeerse regelzucht aan als de grote boosdoener (31,7%).