Rentezenuwen

Met ingehouden adem keek de financiële wereld eind vorige week naar de nieuwe cijfers over de Amerikaanse economie. Gelukkig waren de inflatiecijfers helemaal volgens verwachtingen. Iedereen was weer opgelucht.

Vanwaar die nerveuze stemming?

De economie van de Verenigde Staten laat al een tijd lang tekenen van herstel zien. Het gaat met horten en stoten, maar de economie krabbelt daar overeind. Om dit herstel op gang te helpen heeft de Amerikaanse Centrale Bank, de Federal Reserve Bank (Fed), in de achter ons liggende jaren de geldmarktrente met regelmatige stapjes verlaagd tot zo'n 3 procent. Nu de VS z'n recessie te boven is, wordt bij de Fed alweer nagedacht over het moment waarop de eerste verhoging van het rentepercentage plaats moet vinden. De economie moet niet opeens te hard van stapel lopen. De vraag mag niet zo snel stijgen dat de produktiecapaciteit hem niet kan bijhouden. Met als gevolg dat over een breed front de prijzen beginnen te stijgen.

Het herstel in de VS loopt wat voor op dat in Europa. Hier zitten we gemiddeld nog midden in een recessie en kunnen we nog wat renteverlaginkjes gebruiken.

Beleggers houden de economische situatie goed in de gaten. Ze hebben vooral veel belangstelling voor de rente op de kapitaalmarkt, de lange rente. En die volgt in het algemeen de stijgingen en dalingen van de korte rente. Soms met wat vertragingen en op afstand, maar toch.

Tussen de toestand van de conjunctuur en het gedrag van beleggers is - heel in het algemeen - wel een bepaald verband te ontdekken. Om daar iets meer over te kunnen zeggen verdelen we voor de eenvoud de beleggingsmogelijkheden in drie soorten: spaarrekeningen, obligaties en aandelen. Beleggers blijken in een oplopende economie een voorkeur te hebben voor spaarrekeningen en obligaties. In een oplopende economie verhoogt de Centrale Bank steeds de rente om de zaak een beetje af te remmen en oververhitting te voorkomen. Bij een hoge rentevergoeding is het aantrekkelijk om een spaardeposito aan te houden. Ook het rendement op obligaties - de betaalde rente in procenten van de aankoopkoers - is dan hoog.

Aandelen zijn bij hoge rentestanden minder in trek. Hoge rente remt de investeringen in nieuwe machines af. In een oplopende conjunctuur stijgen de arbeidskosten vaak te snel, waardoor de winsten onder druk komen te staan. De vooruitkijkende aandelenbelegger ziet dat aankomen. Hij kijkt over de heuvel van de hoogconjunctuur heen en bereidt zich voor op kelderende koersen.

een tijdje raakt de economie over z'n hoogtepunt heen en begint in te zakken. De bedrijvigheid neemt af; werkloosheid steekt de kop op. De Centrale Bank probeert met verlagingen van de rente consumenten en producenten wat op te vrolijken en tot meer inkopen aan te zetten. Beleggers zien de rente dalen, waardoor de opbrengsten van hun spaarrekeningen teruglopen. Ook het rendement op obligaties loopt terug. Ze doeken hun spaarrekeningen op, verkopen hun obligaties en steken het vrijgekomen geld in aandelen. Aan de ene kant gedreven door de dalende opbrengsten van het alternatief sparen en obligaties. Aan de andere kant ook omdat ze alweer vooruit denken. Ze vertrouwen erop dat ondernemingen positief reageren op de lagere rente. Dat ze hun activiteiten uitbreiden en hun winsten vergroten. Wat weer stijgende koersen van de aandelen van die ondernemingen tot gevolg heeft.

Dit laatste is in Europa de laatste maanden aan de gang. Renteverlagingen plus de verwachting van nog verdere verlagingen stuwen de Europese effectenbeurzen van het ene record naar het andere.

In de Verenigde Staten, waar het conjunctuurherstel wat voor loopt op het onze, is de overstap naar aandelen al eerder gemaakt. En daarbij is iets bijzonders gebeurd. Amerikanen die vanwege de dalende rente hun spaarbankboekjes leeghaalden, hebben hun geld massaal in beleggingsfondsen (mutual funds) gestoken. Dat zijn instellingen die hun vermogen beleggen in onder andere aandelen van andere ondernemingen. Vooral beleggingsfondsen die zich op Europa richten staan in de belangstelling. Per dag stroomt er thans een miljard dollar naar deze funds. Ze maken inmiddels ongeveer een derde van het handelsvolume van de New Yorkse effectenbeurs uit. Over deze toegenomen betekenis van de mutual funds maakt men zich in de financiële wereld zorgen. In de jaren '80 waren vooral pensioenfondsen de grote klanten op de aandelen- en obligatiemarkt. Die houden de effecten die ze hebben gekocht meestal voor een lange tijd vast. Daartegenover zijn beleggingsfondsen veel meer gericht op prestaties op de korte termijn. Hun klanten zijn de miljoenen onervaren burgers die voor het eerst hun spaarcentjes risicodragend hebben belegd. Het is niet denkbeeldig dat deze nieuwe beleggers schrikachtig reageren op slecht nieuws. Dat ze bij een eerste renteverhoging van de Fed bang zijn voor een koersdaling en even massaal weglopen uit de beleggingsfondsen als ze erin gestapt zijn. Door allemaal tegelijk dezelfde kant op te hollen maken ze hun eigen verwachtingen waar.

Vanouds zijn de Europese beurzen erg gevoelig voor de ups en downs van Wall Street. Vandaar onze meer dan gewone belangstelling voor de inflatie- en de rentecijfers in de VS.