Prof. Fase is eervol man en moet niet met ontslag

In NRC Handelsblad van maandag 8 november troffen wij een beschouwing aan, die aan borreltafelpraat deed denken. Prof. Bomhoff vond het deze keer blijkbaar aardig zijn regelmatige aanvallen op de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid eens te verluchtigen met een felle uithaal naar prof.mr. W.J.P.M. Fase, voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad (SVR). Volgens prof. Bomhoff is prof. Fase rechtstreeks verantwoordelijk voor de schade die het wanbeleid bij de uitvoering van de sociale verzekeringen aan de nationale economie en aan tal van zieke en arbeidsongeschikte werknemers heeft toegebracht.

De auteur ontleent zijn conclusie aan zijn wat vluchtige raadpleging van het rapport van de parlementaire enquêtecommissie, die een onderzoek heeft ingesteld naar het functioneren van de uitvoeringsorganen. De commissie is zeker niet minder kritisch dan prof. Bomhoff, maar heeft haar conclusie over het slecht functioneren van de uitvoeringsorganen wel onderbouwd met een zeer gedegen analyse. Het is uiteraard niet onze bedoeling te protesteren tegen goed onderzoek, ook al zijn de uitkomsten schokkend voor alle betrokkenen.

Wij willen echter wel ernstig bezwaar aantekenen tegen het feit dat Bomhoff prof. Fase in zo hoge mate verantwoordelijk stelt voor de gemaakte fouten en zelfs concludeert dat deze aftreedt als voorzitter van de SVR “als hij een honorabel man is”. En dat louter op grond van een antwoord van prof. Fase tijden een verhoor door de enquêtecommissie, waarin hij de beperkte mogelijkheden van de toezichthouder noemt, toen de wetgever nog niet uitdrukkelijk aan de uitvoeringsorganen de taak oplegde een volumebeleid te voeren. Deze mededeling maakt deel uit van een uitvoerige schets van beperkingen, onbenutte kansen, moeilijke verhoudingen en gebrek aan inzicht - niet alleen bij de SVR - die prof. Fase tijdens dat verhoor op evenwichtige wijze heeft gepresenteerd.

Zijn schets stemt overeen met de analyse van de enquêtecommissie zelf, die in haar rapport helder aan het licht brengt, hoe beperkt de wetgeving was en hoe traag regering en parlement tot het inzicht kwamen dat er een volumebeleid nodig was. Het volumebeleid is de laatste jaren in toenemende mate een belangrijk onderwerp geworden, maar eerder lag de nadruk heel duidelijk op de rechtmatige toepassing van de wetgeving. Daaraan hebben zowel de uitvoeringsorganen als de toezichthouder veel aandacht geschonken. De enquêtecommissie concludeert dan ook: “Het rechtmatigheidsgehalte is hoog.”

De wetgever heeft overigens het beroep op de sociale verzekeringen vooral proberen te beperken door de uitkeringen minder aantrekkelijk te maken. Pas nu zijn er wettelijke maatregelen aan bod die het volume direct beïnvloeden.

Maar onze belangrijkste reden om bezwaar aan te tekenen tegen de onheuse aanval van prof. Bomhoff, is dat prof. Fase behoort tot degenen die - in dit geval als toezichthouder - de uitvoering juist op een hoger plan wilden brengen. Na zijn aantreden als voorzitter van de SVR in 1987 heeft hij consequent geijverd voor een andere aanpak.

Hij heeft leiding gegeven aan de ontwikkeling van een systematisch toezicht op rechtmatigheid èn doelmatigheid van de uitvoering door middel van grondiger methoden van controle en duidelijker rapportages aan de verantwoordelijke staatssecretaris. Hij heeft het secretariaat van de SVR laten reorganiseren, waardoor de activiteiten zich duidelijk gingen groeperen rond de drie hoofdfuncties van de SVR - toezicht, advisering en informatievoorziening/onderzoek - met goed gespecialiseerde directeuren en medewerkers. Hij heeft het management kwalitatief versterkt. Onder zijn voorzitterschap zijn de verhoudingen met de uitvoeringsorganen en administratiekantoren duidelijker geworden en heeft de SVR herkenbaar aan gezag gewonnen. Ook de relaties met de staatssecretaris werden frequenter en inhoudsvoller.

Men kan wel roepen dat er veel moet verbeteren, maar prof. Fase is daar op een vooruitgeschoven post daadwerkelijk mee begonnen. Kortom: hij is in onze ogen een honorabele man en moet juist daarom niet zijn ontslag indienen. Of prof. Bomhoff zich na deze uitglijder als hoogleraar en als columnist kan handhaven kunnen wij niet helemaal beoordelen. Wij spelen ook liever op de bal dan op de man. Men behoeft zijn kritiek niet achterwege te laten, maar men moet daarmee wel op een honorabele wijze omgaan.

    • C. Brevoord
    • A.L. den Broeder