Oxbridge voor de massa

Oxford en Cambridge elite-universiteiten? Niet als het aan de eerbiedwaardige instellingen zelf ligt. Hoe meer studenten er komen, hoe strenger de selectie kan zijn.

Cambridge gaat dit keer voorop in de strijd, Oxford ligt wat achter. maar beide teams koersen af op een verrassende eindstreep: een afscheid van het bestaan als exclusieve elite-universiteiten. Althans - dat is het sportbulletin dat beide universiteiten tegenwoordig graag de wereld insturen.

Cambridge en Oxford staan nog altijd nummer één en twee in de jaarlijkse top honderd van Engelse universiteiten van het dagblad The Times. Ook de structuur van beide universiteiten is door de eeuwen heen grotendeels onveranderd gebleven. Tot op heden is zowel Oxford als Cambridge als 'organisatie' weinig meer dan de optelsom van zo'n dertig tot veertig vrij autonome Colleges. De meeste daarvan zijn al in de Middeleeuwen opgericht door kloosterorders om in de scholing van de monniken te voorzien. Pas veel later zijn ze opgegaan in de nieuwe universiteiten van Oxford en Cambridge - zonder afstand te doen van hun eigen beleid en identiteit.

De laatste jaren hebben zich echter ingrijpende veranderingen voorgedaan, die ertoe moeten leiden dat Oxford en Cambridge in de toekomst niet langer het domein zullen zijn van de typische Oxbridge-student: de blanke Engelsman van rond de twintig jaar uit een welgestelde familie, afkomstig van een public school (in Nederlandse begrippen: een privé-school), bij voorkeur Eton of Westminster. Halverwege de jaren tachtig zijn programma's ontwikkeld, gericht op het aantrekken van etnische minderheden, gehandicapten en mensen die op latere leeftijd willen beginnen met studeren. Veel energie is gestoken in de voorlichting aan leerlingen van openbare scholen - de zogenaamde state schools, die kwalitatief over het algemeen ver achterblijven bij de peperdure public schools. Eén zo'n actie is het Target Achievement Programme, waarbij studenten van Oxford en Cambridge elk jaar scholen bezoeken die voorheen nooit kandidaten afleverden. Zij informeren de scholieren over de selectieprocedures en hun kansen om aangenomen te worden.

Twee nogal verschillende drijfveren liggen ten grondslag aan het nieuwe beleid: sociale bewogenheid en eigenbelang. Bewogenheid, om ook getalenteerden uit andere dan de traditionele elite-milieus een kans te geven. Eigenbelang, om mer studenten te trekken en zo juist nog scherper te kunnen selecteren. Enerzijds moet voorlichting de drempelvrees bij state-school-kandidaten wegnemen. Anderzijds doen de universiteiten omwille van de kwaliteit nauwelijks concessies aan de strenge selectiecriteria. Het voornaamste doel van het nieuwe beleid lijkt dan ook de traditionele public-school-kandidaten meer concurrentie aan te doen: hoe meer kandidaten zich aanmelden, des te beter zal de uiteindelijke selectie zijn. Een uitzondering wordt jaarlijks gemaakt voor zo'n veertig tot vijftig kandidaten uit 'sociaal achtergestelde milieus'. Zij krijgen een zogenaamd lower offer, wat wil zeggen aan hun minder strenge toelatingseisen worden gesteld.

De eerste resultaten van het nieuwe beleid zijn inmiddels in de statistieken terug te vinden. Wat direct opvalt is dat aan Cambridge nu al voor het vierde achtereenvolgende jaar een meerderheid van de geselecteerde studenten afkomstig is van state schools. In 1992/93 was van het totale aantal toegelaten kandidaten 46 procent afkomstig van zulke scholen en 44 procent van public schools (de rest, 10 percent, bestaat uit buitenlandse studenten). Het jaar daarvoor was de verhouding 48 tegenover 47 procent.

In Oxford ligt de situatie anders. Hier zijn nog altijd de public school-studenten in de meerderheid. In 1991/92 was 49 procent van de geselecteerde studenten afkomstig van public schools en 'slechts' 43 van state schools. Dr. Holmes, belast met de selectie van kandidaten voor Hertford College (Oxford), kan niet direct een verklaring geven voor dit opvallende verschil. Zij wijst erop, dat het slechts om 'een paar procenten'' gaat 'In Cambridge denken ze vooral dat ze verder zijn'', voegt ze eraan toe.

Dr. Ford, voorzitter van het Admissions Forum dat het toelatingsbeleid van alle Colleges in Cambridge coördineert, heeft wèl een verklaring voor de voorsprong van Cambridge. 'Hier kan gemakkelijker consensus worden gevonden onder de toelatingscommissies van de verschillende Colleges. De oprichting van het Forum in 1985 heeft daarbij als katalysator gewerkt. Er is een nieuwe ethiek ontstaan, een gemeenschappelijke wil om Cambridge toegankelijker te maken.''

Een andere reden voor het verschil is volgens hem dat in Cambridge sinds 1985 de toelatingsexamens zijn afgeschaft, terwijl deze in Oxford nog altijd worden gebruikt. 'Dit werkt sterk in het voordeel van de kandidaten van public schools, die immers onderwijs genieten dat speciaal op dergelijke examens is toegesneden.''

De eerste resultaten die in Cambridge en Oxford met het nieuwe beleid werden geboekt mogen dan hoopvol zijn, toch verwachten de betrokkenen dat het nog lang zal duren voordat het Engelse onderwijssysteem iedereen gelijke kansen biedt. De voornaamste oorzaak is van oudsher het middelbaar onderwijs, waarvan de kwaliteit evenredig toeneemt met het geld dat ouders bereid zijn neer te tellen. Een jaar public school kost gemiddeld zo'n 15.000 tot 20.000 pond - ruimschoots het jaarsalaris van een arbeider. Voor dat bedrag kan de leerling rekenen op kleine klassen, goede docenten, een motiverende omgeving én een redelijke kans om de selectierondes van Oxford en Cambridge succesvol te doorstaan. Op het ogenblik ligt die kans voor public school-kandidaten gemiddeld op één op drie, voor studenten van state schools op één op vier.

Een ander obstakel vormen de selectieprocedures die in Oxford en Cambridge worden toegepast. Oxford hanteert niet alleen nog altijd toelatingsexamen die volgens critici de public school-leerlingen bevoordelen, maar bovendien ontbreekt het beide universiteiten aan de invloed om het nieuwe beleid op grote schaal door te voeren. Colleges bepalen nog steeds hun eigen selectiebeleid. Zo bestaat King's College te Cambridge, dat als zeer progressief wordt beschouwd, op het ogenblik al voor 70 procent uit studenten van state schools, terwijl het rijke en conservatieve Trinity College slechts veertig procent van zulke studenten heeft.

Bij ouders van public school-kinderen leeft intussen de vrees dat Oxford en Cambridge, om goede sier met hun vooruitstrevende imago te kunnen maken, kinderen van state schools bevoordelen. Dr. Ford ontkent de kritiek heftig: 'We willen de kandidaten die het beste kunnen studeren, niet degenen die zich het beste een goede studie kunnen veroorloven.''

    • Camiel van den Boogaard