Onkreukbaar en vriendelijk maar geen blijvertje

Staatssecretaris hoger onderwijs Job Cohen verdedigt een trendbreuk in het overheidsbeleid: de universiteit moet wetenschappelijker worden - èn kleiner. Maar blijft Cohen in de politiek? Zijn naam komt niet voor op de PvdA-kandidatenlijst. Profiel van een pragmaticus.

Is staatssecretaris van onderwijs Job Cohen betalend lid van zijn tegenstrever, de Landelijke Studentenvakbond? Volgens zijn ministerie niet, volgens de studentenbond wel.

Tijdens een werkbezoek twee weken geleden zette Cohen zijn handtekening onder een aanmeldingsformulier van de Rotterdamse bond ARSB, - aangesloten bij de LSVb - en betaalde contant een tientje als donateur. Uit sympathie: keep up the good work. Voorzitter Trudy Jansen van de LSVb: 'Ik vond het ook al zo'n aardige man, die best wel naar ons luistert.''

Het departement houdt het op een misverstand: Cohen was slechts zo aardig om donateur te worden, maar kan natuurlijk geen lid zijn - en dat is de bond gemeld. Trudy Jansen houdt vol dat de staatssecretaris op ledenvergaderingen welkom is: 'Ja hoor. De Rotterdamse bond maakt nu eenmaal geen onderscheid tussen leden en donateurs.''

De anekdote tekent mr. Marius Job Cohen (46), vier maanden staatssecretaris na de déconfiture van prof.dr. R.J. in 't Veld, die het na acht dagen voor gezien hield door politiek tumult over zijn nevenverdiensten als hoogleraar bestuurskunde. Cohen staat bekend als een sympathieke, pragmatische bestuurder. Evenwichtig, met een onkreukbare reputatie èn gevoel voor ironie - eigenschappen die hij niet verloochent op zijn huidige tournee langs universiteiten om het overheidsbeleid uit te leggen. Collegevoorzitter drs. J.K.M. Gevers van de Universiteit van Amsterdam: 'Wat mij pleziert is dat hij gewoon zichzelf blijft, common sense blijft opbrengen. Dat vind ik nogal verfrissend.''

In het ziekenhuis

Tot zijn benoeming als staatssecretaris was Cohen rector magnificus van de Rijksuniversiteit Limburg in Maastricht. Het telefoontje uit het westen kwam toen hij in het ziekenhuis lag, om te herstellen van een gebroken enkel. Drie dagen dacht hij na over het verzoek van partijgenoot Ritzen. Dr. H.F.M. Crombagh, hoogleraar aan de rechtenfaculteit en huisvriend van Cohen: 'Hij zat er niet op te wachten. Waarom hij? Nou ja, ze hadden iemand nodig met een smetteloze reputatie, na alle commotie over zijn voorganger.''

Dr. K.L.L.M. Dittrich, samen met Cohen aangekomen in Maastricht en diens collega van Cohen in het college van bestuur: 'Job heeft een sterk plichtsgevoel, in positieve zin. Je moet heel goede argumenten hebben om het bekleden van zo'n hoog publiek ambt af te wijzen.'' Cohen voldeed aan zijn plicht, hij vertrok met zijn vrouw en twee kinderen naar Zoetermeer, om te werken, en Leiden, om te wonen.

Zijn benoeming werd door Ritzen later geprezen als 'de meest zorgvuldige procedure die er deze eeuw is gevolgd'', iets waar zijn vriend Crombagh maar weinig van merkte: 'Ze zijn gewoon op zijn reputatie afgegaan. Het ging om het contrast met Roel in 't Veld. Het is ook niet zo dat hij nu een blauwdruk voor het hoger onderwijs had liggen. Ik weet niet of hij iets in de plannen heeft mogen veranderen, waarschijnlijk niets dat geld kostte.''

De bedachtzame, relativerende Cohen is als staatssecretaris de eer ten deel gevallen een ingrijpende trendbreuk te mogen verdedigen in twintig jaar hoger-onderwijsbeleid. Met het Hoger Onderwijs en Onderzoeks Plan 1994 (HOOP) dat in september onder zijn naam het licht zag, neemt de overheid afscheid van de massa-universiteit. Het wetenschappelijk karakter van de universiteiten moet worden versterkt, het onderscheid met het hoger beroepsonderwijs aangescherpt.

Al was het HOOP in grote lijnen al klaar toen Cohen in juli aantrad, aan hem nu de taak de bittere boodschap uit te dragen. 'Ik vermoed dat hij daar wel een beetje mee zit'', zegt de Amsterdamse collegevoorzitter drs. J.K.M. Gevers, die Cohen onder meer kent uit de PvdA-afdeling Oegstgeest, waar ze 'stuivertje wisselden'' als secretaris en voorzitter. 'Ik ken hem helemaal niet als iemand die echt voorstander is van een strenge scheiding tussen HBO en universiteit.''

Dat is wel meer dan een vermoeden. In het rapport Hoger onderwijs in de jaren negentig dat Cohen in 1990 als voorztter van een PvdA-werkgroep schreef voor de Wiardi Beckman Stichting wordt juist een geleidelijke integratie van HBO en universiteiten bepleit. 'Het lijkt van belang om samenwerkingsvormen tussen instellingen van WO en HBO aan te moedigen en het hoger onderwijs-stelsel sterker dan thans het geval is tot een werkelijke eenheid te smeden: fusies tussen WO- en HBO-instellingen behoeven daarbij in het geheel niet te worden uitgesloten'', aldus het rapport.

Ook andere oud-collega's is de kentering niet ontgaan. Herkent het Maastrichtse collegelid dr. K.L.L. Dittrich Cohen bijvoorbeeld in het huidige beleid? 'Dat is een beetje een gemene vraag. Hij is natuurlijk aangetreden op een moment dat het beleid al vastlag - maar Job is loyaal, hij stelt zich erachter. Ik herken hem overigens wel in de manier waarop hij ermee omgaat. Praten, uitleggen, luisteren.'' In die uitleg onderstreept Cohen keer op keer in interviews dat het niet de bedoeling is terug te keren naar de elite-universiteit van weleer: 'Het idee dat wij terugwillen naar kleine, elitaire universiteiten is geheel onjuist.''

Corps

Job Cohen beleefde als student rechten het prille begin van de massa-universiteit die nu aan haar grenzen komt. Hij werd in 1947 geboren in Haarlem, in een joods intellectueel gezin waarvan de vader, dr. A.E. Cohen, historicus en van 1970 tot 1974 rector van de Rijksuniversiteit Leiden was. Cohen junior koos voor een studie in Groningen, waar hij politiek actief werd en goed bevriend raakte met Jacques Wallage - die nog in Maastricht geregeld bij hem kwam logeren. Cohen werd lid van het corps, maar ook van de PvdA. Hij was fractievoorzitter van 'een D66-achtige studentengroep, PSO'', herinnert Wallage zich, die zelf voor de radicalere Studenten Vakbond in de studentenraad van Groningen zat. 'Job schept geen groot behagen in het politieke spel, dringt zich niet naar voren'', zegt Wallage. 'Hij is politiek bewust in maatschappelijke, niet in politiek-ambachtelijke zin.''

Cohen was niet politiek, ''in die zin dat hij de realiteit niet uit het oog verloor - wat toen nog wel eens gebeurde'', onderstreept dr. P. Vos, collega van Cohen bij het Bureau voor Onderzoek van Onderwijs van de Rijksuniversiteit Leiden, waar deze in 1971 zijn eerste baan kreeg. De pas afgestudeerde jurist viel bij zijn superieuren in de smaak. 'Je kon hem om een boodschap sturen'', zegt de Maastrichtse hoogleraar dr. H.F.M. Crombagh, die destijds als BOVO-directeur Cohen bij het bureau aannam. 'Hij is goed met mensen. Iedereen vindt hem altijd nog aardiger dan hij al is.''

In Leiden verdeelde Cohen zijn werktijd tussen het BOVO en de juridische faculteit, een belangrijke klant van het bureau. 'Hij is perfect voor zo'n trait-d'union-functie'', meent Vos. Onderzoek deed Cohen naar de tijdbesteding van studenten - en hij vond grote discrepanties tussen normen en praktijk. Vos: 'Hij was daar niet door geschokt, hoor - hij had zelf ook rechten gestudeerd! Bovendien, die haast om af te studeren speelde nog helemaal niet, dat is pas in de jaren tachtig een onderwerp geworden.''

Na zijn promotie in 1981 met het proefschrift Studierechten in het onderwijs, lag het voor de hand dat Cohen zou doorstromen naar hogere regionen - in het zuiden, waar de jonge Rijksuniversiteit Limburg een gloednieuwe rechtenfaculteit wilde opzetten. Crombagh: 'Wij hadden daar het plan voor ontwikkeld en we hadden er vanaf het begin op aangedrongen dat ze mèt het plan ook Cohen zouden nemen.'' Cohen vertrok naar Maastricht en het verliep 'prachtig'', aldus Crombagh, die zelf hoogleraar en later decaan werd aan de nieuwe faculteit. 'Die faculteit is zijn grootste prestatie geworden. Het klinkt misschien wat braaf, maar je moet een beetje een padvinder zijn om zoiets tot een succes te maken, om mensen te enthusiasmeren.''

In Maastricht werd ook duidelijk dat Cohens roeping in het bestuurlijke lag. Hij werd benoemd tot hoogleraar recht, maar was tot 1984 tevens de eerste decaan van de faculteit, een functie die hij in 1989 en 1990 opnieuw bekleedde. Een jaar later werd hij rector magnificus; hij viel op, ook bij partijgenoot Jo Ritzen, door zijn inzet voor onderwijsvernieuwing. Geen stropdas

'Smetteloos' bleef Cohen al die tijd. De wildste anekdote die een rondgang langs oude bekenden oplevert is dat de huidige staatssecretaris geen stropdas droeg tijdens zijn huwelijk - bij welke gelegenheid hij ook met zijn vrienden een stukje viool ten beste gaf waar volgens een aanwezige 'niets aan verloren is gegaan''.

De eerste beproeving kwam op 3 juli, een dag na zijn beëdiging. Het dagblad De Limburger publiceerde een onthullend stuk over het Science Park van Cohens oude universiteit. Medewerkers van het 'transferbureau' - dat opdrachten moest binnenhalen voor de universiteit en die ook het Science Park 'regelden' - bleken zonder medeweten van het college bij te klussen, en daar naam en briefpapier van de universiteit voor te gebruiken. Er volgde een onderzoek, een medewerker van het transferbureau werd, op diens verzoek, ontslagen.

Cohens reputatie bleek vuurvast. Politieke repercussies voor de kersverse staatsecretaris bleven uit. 'Het was een beetje lullig dat hem dat nou moest overkomen'', aldus een journalist van het Limburgse universiteitsblad Observant. En Collegelid Dittrich: 'Cohen valt materieel niks aan te rekenen, het was een zaak van het hele college, dus formeel zijn we allemaal verantwoordelijk. We werden onvolledig geïnformeerd.''

    • Sjoerd de Jong