Kunsthistoricus ontrafelt 'geheim van Van Eyck': verf met ei en lood

Was de schilder Jan van Eyck rond 1400 de uitvinder van de olieverf, zoals tot op heden in vele handboeken vermeld staat, of niet? En hoe was zijn verf samengesteld? Geleerden en liefhebbers hebben meer dan vijf eeuwen lang getracht het raadsel op te lossen. De kunsthistoricus Pim Brinkman promoveert vandaag op een studie naar 'het geheim van Van Eyck'.

Michelangelo (1473-1564) vond het maar kleuterverf. Alleen geschikt voor 'zeer oude en zeer jonge vrouwen, monniken, nonnen en een enkele edelman die het aan gevoel voor ware harmonie ontbreekt'. Van olieverf moest hij niks hebben. En ook zijn biograaf Vasari vond het frescoschilderen, het muurschilderen op natte kalk, superieur. En mannelijker ('piu virile'). Een fresco moest in één keer raak zijn, met olieverf kon een schilder net zo lang doormodderen tot het eindresultaat bevredigend was.

In het zestiende-eeuwse Italië waarin Vasari aan zijn beroemde verzameling levensbeschrijvingen van Italiaanse kunstenaars werkte, - de 'Vite', eerste druk 1550 - gold de paneelschilderkunst nog als een zijspoor van de schilderkunst. Dat er in de technieken om die panelen te beschilderen rond 1400 in Vlaanderen een doorbraak optrad, beschreef Vasari slechts omdat de Venetiaanse schilder Antonello da Messina na 1465 die techniek overnam. Tot die tijd had hij zijn pigmenten, de kleurstoffen, gemengd met ei en water, en dus met temperaverf geschilderd. Nadien mengde hij ze met lijnolie.

Dat, schreef Vasari, had hij in Brugge geleerd van Jan van Eyck (circa 1390-1441). Van Eyck zou, min of meer bij toeval, de olieverf hebben uitgevonden terwijl hij op zoek was naar een sneldrogende vernis. De uitvinding bracht hem grote roem en rijkdom; de samenstelling van zijn olieverf zou hij angstvallig geheim gehouden hebben. Slechts enkele leerlingen werden ingewijd, onder wie Antonello.

Vasari, die zijn biografieën samenstelde uit het mengelmoes van feit en fictie dat voor de geschiedschrijving van zijn tijd kenmerkend was, schiep daarmee, ongewild, de mythe van een 'geheim van Van Eyck'. In de zestiende en de zeventiende eeuw verstond men daaronder de geheim gehouden uitvinding van de olieverf op zichzelf. Vanaf de achttiende eeuw, toen bronnenonderzoek aantoonde dat olieverf reeds in de twaalfde eeuw bekend was, maar nauwelijks werd gebruikt, namen geleerden en liefhebbers terecht aan dat Van Eyck de samenstelling van de verf dan wel zou hebben verbeterd. Vooral in de negentiende eeuw voerden zij heftige en nogal speculatieve debatten over Van Eycks 'geheime' bestanddelen.

De kunsthistoricus Pim Brinkman (1954) schreef de geschiedenis van het geheim. Hij las honderden essays, tractaten en handboeken die sinds Vasari in West-Europa over het onderwerp verschenen en zette ze in een helder overzicht. Met behulp van natuurwetenschappelijke methoden ontleedde hij bovendien de samenstelling van Van Eycks verf. Het onderzoek werd uitgevoerd door de laboratoria van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel, waar verfmonsters berusten van Van Eycks beroemde altaarstuk het Lam Gods uit Gent. Brinkman borduurde daarbij voort op eerder onderzoek, met name dat van de voormalige directeur van het laboratorium Paul Coremans. Hij ontdekte dat het bindmiddel van Van Eyck inderdaad essentiële bestanddelen bevatte, die bij zijn voorgangers niet voorkomen. Op het resultaat van dat onderzoek, een voortreffelijk geschreven en door Waanders uitgegeven boek met de titel Het geheim van Van Eyck is hij vanmiddag in Leiden gepromoveerd.

Ei

“We moeten eigenlijk af van het idee dat er een geheim was,” zegt Brinkman, in zijn kantoor in Zeist waar hij werkt als landelijk projectleider instandhoudingszorg monumenten bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. “Alle bestanddelen die Van Eyck voor zijn verf gebruikte waren gangbaar in de schilderspraktijk van zijn tijd. Ook de olieverf was al veel langer bekend. Alleen in een vorm die niet snel genoeg droogde om bruikbaar te zijn. Die werd waarschijnlijk meer ambachtelijk gebruikt, voor het schilderen van deuren of zo.” Van Eyck en zijn voorgangers wisten ook al dat je olie sneller kon laten drogen door er droogmiddelen, siccatieven, aan toe te voegen. Lood bijvoorbeeld. Dat had echter weer het grote nadeel dat de olie snel vergeelde, zodat er van de stralende kleuren weinig overbleef, en de drogende verf craqueleerde.

Brinkman denkt dat Van Eyck misschien wel gericht gezocht heeft naar een sneldrogende olieverf. In zijn proefschrift wijst hij er op dat schilders van vlak vóór Van Eyck effecten nastreefden die je met tempera slechts met veel moeite kan bereiken, maar waar juist olieverf heel geschikt voor is; vloeiende kleurovergangen, diepe en stralende kleuren. “Van Eyck zal geëxperimenteerd hebben, zoals Vasari ook schrijft, met allerlei bekende ingrediënten uit het atelier. En op een gegeven moment moet hij ontdekt hebben dat de toevoeging van een ei aan met lood gesiccativeerde olie een verf opleverde die wel snel droogde, maar niet vergeelde en barstte. Mogelijk ook heeft niet Van Eyck zelf, maar iemand uit zijn omgeving dat ontdekt.” Met de aldus ontstane emulsie zou Van Eyck een ongeëvenaarde olieverftechniek ontwikkelen.

Dat er sprake geweest zou zijn van enige heimelijkheid bij Van Eyck is onwaarschijnlijk. Zijn navolgers, zoals Rogier van der Weyden en Petrus Christus, gebruikten immers allen dezelfde techniek. De geheimhouding is een verdichtsel van Vasari, dat echter een hardnekkig leven heeft geleid.

Wél bleef de vraag naar de precieze samenstelling van Van Eycks verf intrigeren, omdat de schilderijen van de Vlaamse school nog altijd in zo'n perfecte staat verkeren, terwijl de verf op veel schilderijen uit later eeuwen onomkeerbaar is verbruind. De meeste zeventiende-eeuwse meesters, bijvoorbeeld, hadden een veel frisser en kleurrijker palet dan de bezoeker van het Rijksmuseum op het eerste gezicht zou denken. Volgens Brinkman is die goede conservering te danken aan zowel Van Eycks verf als aan zijn techniek. “Hij had een uiterst rationele en precieze schilderwijze. Hij bouwde alle kleuren op uit minstens drie semi-doorschijnende verflagen. Dat moest wel, omdat de pigmenten veel minder kleurkrachtig waren dan de pigmenten die wij tegenwoordig kennen. Voor de eerste twee lagen lengde hij zijn bindmiddel, loodolie, aan met ei. Dat hield de vergeling tegen, maar verminderde de doorzichtigheid. Voor de derde, heel dunne laag gebruikte hij meestal pure loodolie. Omdat het zo'n dun laagje is, verkleurt dat nauwelijks.”

Die werkwijze was zeer tijdrovend en weinig spontaan. Elk kleurvlakje moest volgens een eigen schema worden opgebouwd. Latere generaties schilders wensten meer vrijheid en mengden steeds meer olie door hun verf. Dat leverde een makkelijker te verwerken, vloeibaarder verf op, waarmee ook interessante impasto's (boetseereffecten met verf) konden worden gemaakt. Ze schilderden in minder verschillende laagjes. Hun kleuren waren daardoor niet meer zo stralend en diep als die van Van Eyck en zijn navolgers, en hun schilderijen zouden minder houdbaar blijken. In de loop van de geschiedenis ging de kennis van de schildertechniek van Van Eyck tenslotte verloren.

En zo ontstond er in de loop der eeuwen alsnog een geheim van Van Eyck, après la lettre. Wat de latere onderzoekers zich niet realiseerden was dat het geheim evenzeer de schildertechniek betrof als de verfsamenstelling. Het heeft Brinkman erg geholpen dat er een kunstschilder betrokken was bij zijn onderzoek om tot de juiste reconstructie van Van Eycks werkwijze te komen. Zijn jeugdvriend Evert Thielen kookte vele soorten oliemengsels, maalde dezelfde natuurlijke pigmenten die in de vijftiende eeuw in gebruik waren en maakte tal van proefplankjes om Van Eycks kleuropbouw en grondering te reconstrueren. Die proefplankjes vergeleek Brinkman vervolgens met behulp van natuurwetenschappelijke methoden met de verfmonsters van het Lam Gods. Thielen kreeg de vijftiende-eeuwse schildertechniek tenslotte zo onder de knie, dat hij daarin bleef werken. Zijn realistische schilderijen hangen tegenwoordig bij de Amsterdamse kunsthandelaar Drs. Loek Brons.