Het primaat van de Kamer

Even leek het spannend te zullen worden voor de Amerikaanse president Clinton. Zouden genoeg Congresleden zich achter het NAFTA vrijhandelsverdrag tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico scharen? Maar naarmate de stemming dichterbij kwam, nam het aantal voorstanders toe. De afgelopen dagen werden twijfelende Congresleden stuk voor stuk bewerkt, om na zo'n indringend onderhoud ten overstaan van de wachtende pers te verklaren hoe ze zouden stemmen. Het was vooral door de openheid van de Congresleden een fascinerend schouwspel.

De direct opkomende gedachte is hoe zoiets nu in Nederland zou verlopen. Neem onze 'nationale kwestie', de Betuwelijn, waarover de Tweede Kamer binnenkort moet beslissen. Premier Lubbers zei gisteren in de Eerste Kamer dat de aanleg van deze spoorlijn geen principiële zaak is, maar een praktische. Prettig om te weten, want als er geen principes in het geding zijn, wordt het gesprek direct gemakkelijker. De vraagstelling is vrij simpel, dus in principe zou elk Kamerlid een eigen afweging kunnen maken. Je ziet het al voor je, de week voorafgaand aan het debat. Elke dag in de pers nieuwe speculaties over de stemmimg. Het Kamerlid Koetje uit Amsterdam is 'om', hij stemt voor. Daarentegen heeft het Kamerlid Quint-Maagdenberg uit Geulle verklaard te zullen tegenstemmen. De stemverhouding blijft dus ongewijzigd. Alle ogen zijn nu gericht op het Kamerlid Kersten uit Boxmeer, die nog steeds geen standpunt heeft bepaald. Hoogtijdagen zullen het zijn voor al die Kamerleden die geen mediagevoelig takenpakket hebben en doorgaans in de anonimmiteit opereren. Maar helaas, zo zal het niet gaan. Als de fractiespecialisten hun standpunt hebben bepaald, als de coalitiepartner is geconsulteerd en de zaak is 'kortgesloten' met de bevriende bewindslieden, dan is eveneens het stemgedrag van de fractie bepaald.

Afwijkend stemgedrag wordt in Nederland steeds minder op prijs gesteld. Doordat fracties steeds als blok optreden, is er ook nauwelijk belangstelling voor individuele Kamerleden. Er is geen enkele noodzaak om ze te kennen. Het meest trieste voor veel van de Kamerleden die op de nominatie staan om na de verkiezingen van volgend jaar mei te worden afgevoerd, is dat niet eens bekend was dàt ze parlementariër waren. Slechts weinigen treuren zodoende met hen mee. Ze vertrekken weer even geruisloos als ze ooit binnenkwamen. Het zijn degenen die niet hebben voldaan aan de 'wet van Romme'. Deze KVP-voorman hanteerde in zijn tijd al de stelregel dat als hij een Kamerlid na drie maanden nog niet van naam kende, hij hem of haar ook niet meer hoefde te kennen.

Kamerleden kunnen een tamelijk eenzaam bestaan leiden, vooral als ze tot een wat grotere fractie behoren. Het verschijnsel is, getuige de woorden van Romme, niet nieuw. Nieuw is wel dat een backbenchers-positie tegenwoordig minder wordt geaccepteerd. Zowel door de backbenchers zelf als door de mensen uit de partij die hen ooit voor de Tweede Kamer kandideerden. Er dient 'gescoord' te worden. Het leidt tot het bekende 'haantjesgedrag' waar de slachtoffers pas over vertellen op het moment dat ze uit de ren verwijderd dreigen te worden. Zo was er deze week het Tweede Kamerlid voor het CDA, Ton de Kok die begin deze maand van zijn partij te horen kreeg dat hij naar een andere werkkring moest uitzien. De elf jaar die hij in de Kamer heeft gezeten, zijn door hem als 'oorlog' ervaren, bekende De Kok tegenover de EO-televisie. De Tweede Kamer was een 'leeuwekuil' waarin Kamerleden constant met de ellebogen werken om naar voren te komen. Achteraf wil er altijd veel leed naar boven komen. Onbegrijpelijk eigenlijk dat De Kok zelf 'in' was voor nog een termijn.

Wat hij beschreef was enerzijds het interne proces in zijn fractie: wie mag wat waar zeggen. Maar eenmaal tot woordvoerder benoemd, is er ook weinig reden tot vreugde, dat was de andere kant van zijn verhaal. Veel ruimte voor een eigen inbreng is er niet, als we De Kok moeten geloven. Hij onthulde als Kamerlid passages voorgelezen te hebben die rechtstreeks waren aangegeven in het Torentje van premier Lubbers of door een minister. Wederom is de vraag: hoe onafhankelijk is een Kamerlid die tot een regeringsfractie behoort? De weerbarstige fractievoorzitter van het CDA in de Eerste Kamer, Ad Kaland, uitte hierover deze week tijdens de algemene beschouwingen in de Senaat opnieuw zijn twijfel. Ooit betitelde hij zijn collega's in de Tweede Kamer als stemvee. Dit keer zei hij het iets netter, maar bedoelde hetzelfde: “De door een politieke partij beoogde eenduidige opstelling van fracties van dezelfde politieke partij en hun vertegenwoordiging in het kabinet belemmert een gezond dualisme.”

Kaland beriep zich onder andere op het eind vorige maand verschenen proefschrift van de rechtswetenschapper Rene Kleijkers. Deze onderzocht de waarde van het in de grondwet opgenomen artikel dat Kamerleden 'zonder last' dienen te stemmen. Te vaak hebben volgens de onderzoeker volksvertegenwoordigers zich geschikt in de 'paternalistische houding van de partij'. Kleijkers: “In de weinige zaken waarin zij de opvattingen van de kiezers (menen te) volgen, wordt dit niet ingegeven door de principiële overtuiging dat in een representatieve democratie aan de opvattingen van de kiezers een belangrijk gewicht toekomt, maar eerder uit een omgekeerde houding. Slechts in zaken van weinig fundamenteel belang zijn de volksvertegenwoordigers bereid de opvattingen van de kiezers te volgen.”

Alleen een mentaliteitsverandering van de volksvertegenwoordigers kan volgens Kleijkers het tij keren. Interessant is of de mogelijkheden voor een dergelijke 'culturele revolutie' aanwezig zijn nu de Tweede Kamer volgend jaar mei een ongekend hoog aantal nieuwkomers te zien zal geven. Weet de nieuwe generatie Kamerleden zich te ontpoppen als vrijdenker, of zal onmiddellijk de partijdiscipine toeslaan? Een zaak die vanzelfsprekend alleen speelt bij de regeringspartijen.

Hoe het zich zal ontwikkelen, wordt duidelijk als de personele samenstelling van het kabinet bekend is. Verhuizen de lijsttrekkers annex fractievoorzitters naar het kabinet, dan kan het dualisme direct worden vergeten. Kaland drukte het deze week zeer kernachtig uit: “Doordat de partijleiders van de coalitie zitting nemen in het kabinet wordt de uitvoerende macht zeer versterkt. Als de fractievoorzitter van één van de coalitiepartijen in verzet komt tegen het kabinet is dat opstand tegen de eigen partijleider. Noch de fractie noch de partij zal het wagen de partijleider af te vallen. Daarmee is het sterkste wapen van de Tweede Kamer krachteloos geworden.”

Kortom, wie dualisme wil houdt Brinkman, Kok, Van Mierlo en Bolkestein in de Tweede Kamer. Maar daarvoor lijkt het al weer te laat. Tot nu toe heeft alleen VVD-fractievoorzitter Bolkestein een voorkeur voor de Kamer laten blijken. Slechts zeer dwingende redenen kunnen de leiders buiten het kabinet houden, maar met een hang naar dualisme zal dat weinig hebben te maken. Voor de persoon Brinkman bijvoorbeeld kan een naar verwachting weinig stabiel driepartijenkabinet waaraan hij leiding moet geven een te hoog 'afbreukrisico' betekenen. In dat geval zou het CDA-kasplantje nog enige tijd in de fractie gekoesterd kunnen worden. (Een Zijlstra achtige figuur om het premierschap tijdelijk op zich te nemen is zo gevonden.) Bij Kok ligt het andersom. Het is niet ondenkbaar dat, als de PvdA weer gaat regeren, Kok juist wordt verbannen naar het kabinet en Wallage het fractievoorzitterschap toegeworpen krijgt. In die positie kan Wallage dan conform het deze kabinetsperiode beproefde model Lubbers-Brinkman groeien in zijn rol als aanstaand partijleider. Zowel bij het CDA als de PvdA zou het, in afwachting van rustiger tijden, om tijdelijk dualisme gaan. Maar dat was nu net niet wat Kaland bedoelde.