Het Curaçaose lange afstandsnationalisme

De eis van de in Nederland woonachtige Curaçaoënaars om mee te mogen stemmen in het referendum van morgen over de staatkundige toekomst van het eiland is een interessante uiting van 'long distance nationalism'. Met dit nationalisme is niets mis. Mits zo'n cultuuruiting geen pathologische trekken krijgt en men niet meent het land van herkomst vanuit een zelfgekozen diaspora te moeten besturen.

In NRC-Handelsblad van 10 november 1993 stond op de opiniepagina een bijzonder curieus artikel van Maria Cuartas en Rudy Henriquez over de volksstemming die op Curaçao gehouden wordt over de staatsrechtelijke toekomst van dit eiland. Alleen op Curaçao woonachtige Nederlanders mogen daar aan meedoen. De stemprocedure voor het referendum volgt namelijk de kieswet gebaseerd op het Statuut van het Koninkrijk waarin bepaald is dat op Curaçao woonachtige Nederlanders mogen stemmen voor de Eilandsraad en niet voor de Tweede Kamer, en omgekeerd: Antillianen die naar Nederland verhuizen krijgen automatisch stemrecht voor de Tweede Kamer maar verliezen hun stemrecht bij de verkiezingen voor de Eilandsraad. (Sinds de grondwetsherziening van 1983 is deze regeling overigens niet meer symmetrisch: Europese Nederlanders op de Antillen mogen zowel voor de Eilandsraad stemmen als voor de Tweede Kamer. Een ergerlijke rechtsongelijkheid.)

Inmiddels heeft initiatiefgroep 'Nos Tambe Ta Vota!' (Wij stemmen ook!), waarvan de auteurs deel uitmaken, het Koninkrijk der Nederlanden in kort geding gedagvaard wegens onrechtmatig gedrag. Zij eisen dat alle Antillianen, en met name de Curaçaoënaars die in Nederland wonen, aan dat referendum mogen meedoen. Cuartas en Henriquez: “Het Curaçaose volk (juridisch bestaat dit begrip nog niet!) woont echter niet alleen op Curaçao, maar ook elders, met name in Nederland. Er zijn ruim 50.000 Curaçaoënaars in Nederland op een totaal van 140.000 inwoners op het eiland Curaçao.”

De interessantste zin zetten de auteurs tussen haakjes. Want inderdaad, wie vormen nu het Curaçaose volk en hoe weten de auteurs dat er 50.000 Curaçaoënaars in Nederland wonen? Ik neem aan - want zij zijn daarover heel zwijgzaam - dat zij iedere Nederlander die op Curaçao geboren is als Curaçaoënaar beschouwen. Maar waarom zouden Nederlanders die op Curaçao geboren zijn en zich metterwoon in Amsterdam gevestigd hebben, moeten beslissen over het lot van de mensen die op Curaçao wonen? De auteurs zeggen hierover: “Het referendum is een historische gebeurtenis waarbij het volk van Curaçao zijn recht op zelfbeschikking kan uitoefenen. Maar bij dit referendum wordt niet alleen over de toekomst van het eiland beslist, het heeft ook rechtstreekse gevolgen voor de andere eilanden van de Nederlandse Antillen en voor het koninkrijk zelf. Wat in dit referendum wordt besloten, raakt derhalve ook de belangen van de in Nederland woonachtige Antillianen en met name de Curaçaoënaars onder hen.” Als we deze redenering echt volgen, zouden alle Nederlanders moeten meestemmen in het referendum op Curaçao omdat dat referendum rechtstreekse gevolgen voor het koninkrijk zelf en derhalve de belangen van alle inwoners van het koninkrijk raakt. Maar die eis heeft de aktiegroep 'Nos Tambe Ta Vota' niet gesteld.

We hebben hier te maken met een relatief nieuw verschijnsel dat Benedict Anderson 'long distance nationalism' heeft genoemd. Emigranten houden het contact met het land van herkomst levend door het creëren van een nationalisme op afstand. Dat 'long distance' nationalisme komt, volgens Anderson, vooral voor onder relatief succesvolle migranten, die aan de ambivalenties van een dubbele identiteit uitdrukking geven door een symnbolische identificatie met het land van herkomst. Zelfs herinner ik mij nog de weeë geur van sûkerbolle die door de Friese vereniging in Zeist tijdens de Friese toneelavonden werd verkocht.

De Antilliaanse pendant daarvan is te vinden op de door Divi-divi georganiseerde Antilliaanse avonden. Het is een cultureel nationalisme dat weinig praktische consequenties heeft, maar wel een fijn gevoel geeft. Daar is niets mis mee, zolang een dergelijke cultuuruiting geen pathologische trekken krijgt en men niet meent vanuit de diaspora het land van herkomst te moeten besturen. Dan krijgt het 'long distance' nationalisme iets gemakzuchtigs en onzuivers. Men is Curaçaoënaar, maar zonder de ongemakken waar de ingezetenen van dat eiland mee te kampen hebben. Men wil meestemmen over de toekomst van het land van herkomst zonder echter de praktische consequenties van de uitslag te hoeven dragen. Kortom, men is vrijdagavond-Antilliaan in Amsterdam en eist politieke rechten in Curaçao.

Het zou interessant zijn een referendum te houden onder de ingezetenen op Curaçao over de vraag of in Nederland verblijvende Antillianen mee moeten doen aan het referendum dat op 19 november gehouden wordt. Niet alleen om te weten wat de echte belanghebbenden daarvan vinden, maar ook vanwege de vraag hoe de initiatiefgroep 'Nos Tambe Ta Vota' zou reageren op een eventuele negatieve uitslag. Zou men het besluit van de ingezetenen respecteren of zou men de stemming ongeldig verklaren omdat 'maar een deel van het Curaçaose volk' gestemd zou hebben?

Maar er is nóg een interessante vraag. Waarom zouden eigenlijk de kinderen van in Nederland wonende Antillianen niet mee mogen stemmen over de toekomstige status van Curaçao? Zij krijgen toch ook te maken met de gevolgen van dat referendum? Of behoren zij soms niet tot het Curaçaose volk? En wat te doen met de kinderen uit een gemengd huwelijk? Volgen de auteurs hier misschien het Romeinse adagium 'Partus sequitur ventrum' (het kind volgt de buik van de moeder)?

Het paradoxale van de eis van Cuartas en Henriquez is dat hun nationalisme zo Europees is. Met hun eis om ook te mogen stemmen over de toekomst van Curaçao tonen zij ongewild aan hoezeer zij geïntegreerd zijn in de Nederlandse samenleving. Het Amerikaanse natiebegrip dat in het Caribisch gebied dominant is, heeft zich van oudsher gebaseerd op het ingezetenschap en past daarmee in een traditie van republikeins nationalisme. Daartegenover staat het Europese volksnationalisme, waar Cuartas en Henriquez zich op beroepen. Hun redenering lijkt veel meer op die van de Duitse regering die spreekt van 'etnische Duitsers' die, ook als zij niet meer in Duitsland wonen, toch Duitser blijven.

Een dergelijke opvatting van nationaliteit vinden we ook bij de Israëlische regering die van mening is dat alle joden in principe behoren tot het joodse volk en dus het recht hebben zich in Israel te vestigen. Maar ik heb nog niet gehoord van een joodse actiegroep in Nederland die het recht opeist om mee te stemmen over de vredesakkoorden met de PLO. In dat opzicht is de eis 'Nos Tambe Ta Vota!' uniek te noemen. De strekking ervan past in de algehele etnisering van de Europese samenleving. Dat stemt tot nadenken.

    • Meindert Fennema