EEN NIEUWE FAO

De Verenigde Naties worden tegenwoordig vooral geassocieerd met veiligheid en vluchtelingen. Naast de Algemene Vergadering kunnen de meeste mensen zich bij de VN niet meer voorstellen dan een troepenmacht en het Hoge Commissariaat voor de vluchtlingen in Bosnië of Somalië. De technische en wetenschappelijke rol van de gespecialiseerde VN-organisaties, zoals de FAO is ongemerkt op de achtergrond geraakt.

Dat is niet altijd zo geweest. Wie publikaties van de FAO uit de jaren zestig bekijkt, komt onder de indruk van de gedegenheid en de breedte van het werk. Met grote inventariserende studies, bijvoorbeeld over de Afrikaanse grassoorten of gebreksziekten als gevolg van eenzijdige voeding, is de FAO toonaangevend, ook in de wetenschappelijke wereld. Deze worden deels door de staf zelf, deels door contractonderzoekers uitgevoerd. Uit die periode dateren ook de eerste overlegrondes, de expert consultations, met onderzoekers uit wetenschappelijke instellingen uit de gehele wereld, om te komen tot internationaal erkende afspraken over belangrijk wetenschappelijke onderwerpen.

Zo komt de nu alom toegepaste wereldbodemklassificatie tot stand, en worden lijsten opgesteld van de samenstelling van pesticiden. De FAO treedt op als onafhankelijke initiatiefnemer die de verschillende partijen en nationale belangen kan overstijgen. De bereikte wetenschappelijke consensus is van groot nut voor iedereen. Daarnaast speelt de FAO een essentiële rol als mondiale beheerder van overheidsstatistieken op gebied van landbouw, bosbouw en visserij.

Onder Saouma heeft de FAO helaas haar technische reputatie verruild voor een van vriendjespolitiek en inhoudelijke zwakte. Vanaf het midden van de jaren zeventig opent de FAO talloze eigen vertegenwoordigingen in het buitenland. Grootscheepse projekten worden uitgevoerd door hoogbetaalde experts, in de meest afgelegen landen waar nauwelijks kans is op voortzetting na hun vertrek. In de centrale bureaucratie is weinig ruimte voor het verwerken van veldervaringen, of systematische evalutatie en opbouw van expertise.

Het hoge aandeel van kortlopende contracten is hier uiteraard debet aan, net als de ingewikkelde balans tussen de nationaliteiten die in stand moet worden gehouden. Ambtenaren op het hoofdkwartier houden elkaar steeds meer aan het werk met het schrijven van rapporten en projektvoorstellen. Besluitvorming loopt via talloze schijven en staat iedere slagvaardigheid in de weg. De verzuilde struktuur, de scherpe scheiding tussen bosbouw en landbouw bijvoorbeeld, draagt niet bij aan informatie-uitwisseling, en de instelling van dwarsverbanden via werkgroepen leidt bijna altijd tot meer vergaderen.

De technische staf van de jaren zestig, waarvan een niet gering deel afkomstig was uit de Engelse en Franse koloniale dienst, is bijna verdwenen. Zij zijn veelal vervangen door ambtenaren met minder veldervaring en die eerder aansluiting hebben met de diplomatie en politiek dan met de wetenschap. Spreekwoordelijk zijn de wanhopige consultants die in Rome aankomen met een taakomschrijving die bij niemand bekend is en voor wie niemand tijd heeft. De communicatie met het hoofdkwartier heeft overigens ook te lijden onder de krakkemikkige Italiaanse post en telecommunicatie. Wie zeker wil weten dat zijn brief bij de juiste persoon in de FAO aankomt, kan hem het beste persoonlijke bezorgen.

Natuurlijk lopen er ook nog steeds, of weer, een aantal uitstekende stafleden rond (aannemend dat kwaliteit in dit soort grote organisaties wel normaal verdeeld zal zijn). Maar sinds Saouma ontbreekt het aan een werksfeer waarin inhoudelijke kwaliteit voorop staat, in plaats van donorafhankelijke modegrillen. De strikte veiligheidscontrole waaraan iedere bezoeker zich bij de FAO moet onderwerpen en de wijze waarop Saouma zich op een speciale verdieping verschanst, lijken symptomatisch voor de geslotenheid van de organisatie.

De verkiezing van de Senegalees Jacques Diouf tot Directeur Generaal van de FAO vorige week (met voorbijgaan van Braks) luidt een nieuwe periode in. De belangrijkste uitdaging die hem wacht is een bezinning op een geloofwaardige rol van de FAO. Bezuinigingen zullen hem ongetwijfeld dwingen tot verregaande afslanking en omvorming van de bestaande struktuur. Dat zou een zegen zijn, want alleen dankzij radikale keuzes - niet de kaasschaaf maar het kaasbijltje - valt er iets te beginnen.

Een van de meest veelbelovende ontwikkelingen ligt in de ongelooflijk snelle toename van het gebruik van elektronische communicatiemiddelen in ontwikkelingslanden. Dit schept een groot aantal nieuwe mogelijkheden voor samenwerking op afstand via elektronische netwerken. Een serieuze optie is dan ook het afschaffen van alle veldkantoren. Daarnaast lijkt er nauwelijks nog een rechtvaardiging voor eigen veldprojekten, omdat die uitstekend kunnen worden uitgevoerd door lokale deskundigen met de fondsen die anders naar de FAO zouden gaan.

Beide maatregelen scheppen ruimte voor een versterking van de klassieke taak van de FAO: een centrale en onafhankelijke rol in verzamelen, verwerken, beheer en uitwisseling van informatie, afkomstig van statistieken en remote sensing. Een early warning systeem, niet alleen voor sprinkhanen, maar voor veranderingen in landgebruik en milieu. Juist vandaag, in het licht van de toenemende bezorgdheid over duurzame voedselvoorziening in de wereld, zijn politiek objectieve gegevens onontbeerlijk. Verregaande samenwerking of zelfs fusie met de milieuorganisatie van de VN, UNEP, kan overwogen worden, nu scheiding tussen landbouw en milieu in feite achterhaald is. Mutatis mutandis geldt dit ook voor de meteorologische organisatie WMO.

Op talloze gebieden zou de FAO initiatieven kunnen nemen om het technische en wetenschappelijke debat aan te zwengelen. Zoals ze in de jaren tachtig bijdroeg aan een aantal internationale bijeenkomsten op het gebied van genetische hulpbronnen, zou ze dit decennium ruimte moeten scheppen voor diepgaand overleg over de mogelijkheden en beperkingen van ecologische landbouw. Het is nog bijzonder onduidelijk welke koers de nieuwe DG zal varen. Diouf, van oorsprong landbouwkundige, schijnt goede contacten te onderhouden met de VS. Het doemscenario - een door de donoren in de steek gelaten, verpauperde en intern verdeelde FAO - is echter niet van de baan. Veel zal afhangen van de steun die hij krijgt van de lidstaten van de FAO, en van de Secretaris Generaal van de VN. Nederland kan hierbij, als een van de belangrijke donoren met een goede reputatie bij de 'ontwikkelingslanden', en een grote expertise op het taakveld van de FAO, wellicht een zinvolle rol spelen, mits dit met grote subtiliteit en tact gebeurt.

Minstens zo belangrijk is echter of Diouf in staat zal zijn een nieuwe generatie technisch en wetenschappelijk goed geschoolde en gemotiveerde stafleden aan te trekken. Diouf dankt zijn positie aan de gecombineerde steun van de Afrikaanse en de Latijns-Amerikaanse landen. Hun korte-termijnbelang ligt bij hun eigen economische ontwikkeling. Zij zullen waarschijnlijk verwachten dat hij nieuwe stafleden uit die werelddelen aanstelt en daar ontwikkelingsprojekten voortzet. Het zal zorgvuldig manoeuvreren vereisen om die claims binnen een vernieuwd mandaat te honoreren.

Op lange termijn is echter ieder land gebaat bij een mondiale organisatie die als een expertisecentrum geraadpleegd kan worden door beleidsmakers en wetenschappers. Op herstrukturering van de FAO zou tevens een test case kunnen vormen voor een nieuwe rol van de gespecialiseerde instellingen van de VN. In een wereld in geschil zou de VN, kwetsbaar door het mislukken van haar humanitaire missies, kracht kunnen putten uit de onomstreden kwaliteit van haar technische instellingen.

    • Louise Fresco