Een dikke korst beleidsmakers

Ongeveer driehonderd lezers stuurden met de enquête een hartekreet mee over de toestand van de universiteit. Overheid, docenten en studenten krijgen een veeg uit de pan.

Leren ze nog wel iets, daar op de universiteit? David Blik uit Amsterdam, die vorig jaar op 53-jarige leeftijd en met een gymnasium-vooropleiding geschiedeniscolleges ging lopen, kwam van een koude kermis thuis. 'Een verschrikking. Je leerde er niets. Alles al eerder gehad.'' Misschien moet het gymnasium maar de enige vooropleiding worden voor de universiteit, oppert hij. 'Dan voorkomt men het gewauwel dat ik aan moest horen.'' Van gewauwel tot geneuzel: ten minste eenmaal per jaar, vindt ir. J.A. Halkema uit Den Haag, zou openbaar moeten worden bekendgemaakt 'welk waanzinnig geneuzel de universiteiten nu weer tot een 'wetenschap' hebben verheven''.

Bureaucratie en beleidsgekte scoren hoog op de klachtenlijst van de briefschrijvers. P.J. Schultheiss uit Amersfoort hekelt de 'ongebreidelde vernieuwingsdrang'' van onderwijsministers, die ieder 'gelijk een Napoleon'' hun sporen willen nalaten. Aan de universiteiten is een 'dikke korst van bestuursambtenaren en beleidsmakers'' gegroeid, stelt Angela Grooten uit Nijmegen vast. 'De bestuursmensen spreken en schrijven in een op het bedrijfsleven geënt bureaucratisch boeventaaltje van kwantificering, meting, produktie, rendement, output, formatieplaatsen, efficiency en kostenplaatjes.'' Wie berekent de produktie en het rendement van de bestuurders, vraagt zij zich af. 'Kan er eens een efficiency-bureau het rendement van de bestuurslaag in de universiteit doorrekenen?''

Maar was het vroeger eigenlijk beter? Welnee, schrijft L. Bersboom-Janssen uit Amsterdam. 'Je kunt het je niet erg genoeg voorstellen wat een stel wetenschappelijke oplichters er in 1970 rondliepen, oud zowel als jong. Om hierin verandering te brengen moest heel wat gebeuren, professoren hadden onbeperkte macht, het was een cultuurschok voor ze dat ze als gewone mensen werden aangepakt.''

Evenmin zijn alle schrijvers ervan overtuigd dat het niveau is gedaald. 'Het niveau is ànders'', relativeert lerares M.G.F. van Velze-Bouman uit Middelstum. 'Ik ben bijvoorbeeld doorkneed in historische grammatica, terwijl veel jongere collega's hier bijna niets van afwetenm, maar wèl veel aandacht hebben besteed aan communicatieve aspecten van taal.'' De gemiddelde student is niet dommer of luier dan vroeger, schrijft ook dr. L. M. Koenraad uit Zundert. 'Maar hij krijgt in zijn vooropleiding een ontoereikende basisvorming.''

Daarmee wordt de link gelegd de docenten - en die krijgen méér dan de studenten een veeg uit de pan. Anne van Marion-Weijer uit Zaandam verbaast zich 'over de vaak bedroevende didactische kwaliteiten van docenten aan de Universiteit''. Drs. ing. G. van Voorbergen uit Nieuwerkerk aan den IJssel meent 'dat de gemiddelde docent weinig belangstelling heeft voor zijn leerlingen. College geven lijkt voore veel docenten het vervelendste tijdverdrijf wat er bestaat en wordt vaak het liefst zo ver mogelijk binnen de hiërarchie van een vakgroep naar beneden geschoven.''

Minou Woestenenk uit Rotterdam was 'op de middelbare school altijd een van de beteren van de klas''. Maar 'toen ik ging studeren maakte ik ineens deel uit van de lagere middenmoot, om niet te zeggen het slechte deel. Op het VWO werd je van de wieg tot het graf begeleid, of je nu wilde of niet. In Utrecht moest je alles zelf maar uitzoeken.'' Dat klopt, vindt J. ten Bosch uit Steenbergen: 'Hoeveel studierichtingen zijn er waar de onderwijsdoelen van de hele studie en de onderdelen duidelijk op schrift staan, beschikbaar voor docenten èn studenten?'' vraagt hij zich retorisch af. 'Hoe vaak wordt de integratie van onderdelen niet aan de student overgelaten omdat de docenten het te moeilijk, te moeizaam of te tijdrovend vinden?''

Docenten waren er vaak niet, klaagt oud-student M.H. van der Kuil uit Krimpen aan den IJssel. 'Zelfs bij mijn afstuderen, waar mijn hele familie bij aanwezig was, was mijn scriptiebegeleider gewoon weggebleven, zonder reden. Dat bleek later vakantie te zijn.'' Ook leraar Th. Spronk uit Geysteren krijgt veel klachten van oud-leerlingen over het gebrek aan begeleiding op de universiteit. 'Er hangt meer een sfeer van: gaat het niet goed? Jammer, inpakken en wegewezen!''

Tal van lezers uiten kritiek op het personeelsbeleid van de universiteiten. R. Jager uit Voorburg: 'Aan didaktische vaardigheden worden geen eisen gesteld, wat zich uit in de soms slechte colleges, wat weer een lage opkomst van de studenten tot gevolg heeft.'' Docenten moeten daarop worden aangesproken, vindt ook H.C.M. Stock uit Amsterdam. 'Ze zouden bij aanstelling onderworpen moeten worden aan een strenge selectieprocedure. Zo zouden zij naast hun vakbekwaamheid speciaal daarvoor ingerichte didactische opleidingen moeten hebben voltooid.'' Overigens leggen de universiteiten hier de laatste jaren in toenemende mate de nadruk op - aan de Universiteit van Utrecht worden bijvoorbeeld didactische scholing veplicht voor aanstaande docenten.

Enkele lezers wijzen erop dat de universiteiten ook op andere manieren proberen hun onderwijs te moderniseren. 'Onderwijs in de vorm van massale hoorcolleges, ook in de propedeuse, zou definitief tot het verleden moeten behoren'', meent H.J.D. Oude Lenferink, bibliothecaris van de Groningse rechtenfaculteit. De Utrechtse rechtenfaculteit, schrijft bestuurslid mr. A.W. Jongbloed, is een project gestart 'Verbetering studievoortgang'.

Ten slotte pleiten maar weinig briefschrijvers voor een strenge selectie, al gaan ze niet allemaal zo ver als dr. A.C. de Landtsheer uit Utrecht, die schrijft: 'Laat iedereen die wil studeren en een VWO -diploma heeft gewoon beginnen. En als een individu het onderweg te moeilijk of niet meer interessant vindt, dan stopt hij/zij er gewoon mee; geen verloren tijd, maar een ervaring rijker. Het is slecht voor het 'gemiddelde rendement', maar deze belastingbetaler heeft daar geen enkele moeite mee.''