Duitsland moet nu met één stem spreken

Sinds de Duitse hereniging treedt het Westelijke deel van dat land als overwinnaar op en wordt het Oosten geprest tot een pijnlijke aanpassing aan de Westelijke denk- en levensstijl. Toch zou het kritische nadenken over de schaduwkanten van een op welvaart gefixeerde consumptiesamenleving niet verloren moeten gaan. Bovendien wordt heel Duitsland nu geconfronteerd met een complex van vraagstukken bij de oplossing waarvan Oost en West principieel gelijkwaardig zijn.

Oost- en West-Duitsland zijn na het eind van de Tweede Wereldoorlog elk hun eigen weg gegaan. De wederzijdse bezettingsmachten en latere bondgenoten hebben de politieke, economische en culturele ontwikkeling in een bepaalde richting gestuurd. De in de loop van meer dan vier decennia verinnerlijkte manier van denken en gedragspatronen golden tenslotte voor alle betrokkenen als min of meer natuurlijk en gepast. Deze voor sociale en culturele geaardheid karakteristieke 'vanzelfsprekendheid' wordt nu door de confrontatie met de levensvorm in het andere deel van Duitsland in twijfel getrokken. Omdat het Westen in zekere zin als overwinnaar optreedt, wordt het Oosten in eerste instantie tot een pijnlijke heroriëntering gedwongen, die in breed verband uitloopt op de aanpassing aan de Westerse denk- en levensstijl.

Het is psychologisch nadelig en zakelijk verkeerd als bij het harmoniseringsproces, waarbij van beide delen van Duitsland één geheel moet worden gemaakt, alleen van het Oosten een herbezinning wordt verlangd. De kans op een kritisch nadenken over de schaduwkanten van een op welvaart en succes gefixeerde consumptiesamenleving in het Westen zou niet verloren moeten gaan. Het 'geluk in het hoekje' van de Nischengesellschaft van het Oosten had niet slechts de trekken van kleinburgerlijkheid, het vertoonde ook karaktertrekken van solidariteit, menselijke nabijheid en menselijke warmte. Deze levensstijl kan ook worden opgevat als uitdaging, als programma dat contrasteert met de uiterlijkheid, het imponeergedrag en de bedrijvigheid van de Westerse levensstijl. De overname van Westerse voorbeelden en gedragspatronen door het Oosten komt echter niet automatisch op winst neer. In de vraag wat werkelijk telt in het leven kunnen we van het Oosten leren dat persoonlijke, innerlijke waarden juist niet gebonden zijn aan een hoge mate van uiterlijke, materiële welvaart.

Het politieke en economische overwicht van het Westen valt niet te ontkennen. Maar er bestaat een tot nu toe niet genoeg opgemerkt, voor heel Duitsland beslissend complex van vraagstukken, waarin Oost en West principieel gelijkwaardig zijn. De vragen waarop het verenigde Duitsland een antwoord moet formuleren luiden: hoe zien we onze geschiedenis en welke plaats nemen we binnen de gemeenschap van volkeren in? In die vragen moet het nieuwe Duitsland met één stem spreken.

De antwoorden die tot nu toe in Oost en West over dit thema zijn gegeven zijn door de Duitse eenwording achterhaald. De vanzelfsprekendheid die in de beide delen van Duitsland was ontstaan, was stilzwijgend of uitdrukkelijk toegesneden op de toestand van de deling. Dat betekent concreet dat bij historische of buitenlands-politieke vraagstukken de spontane reacties in Oost en West zeer van elkaar verschilden. De afzonderlijke tijdvakken van de Duitse geschiedenis en de krachten die binnen die tijdvakken werkzaam waren, werden even verschillend beoordeeld als de mogelijkheid van een Duits nationaal bewustzijn of de verhouding tot de diverse buurlanden.

In het Westen domineert een uitgesproken kritische houding tegenover de Duitse geschiedenis in haar algemeenheid en de tendens politieke vraagstukken met morele criteria te beoordelen, vooral op het gebied van de buitenlandse politiek. In deze voorstelling wordt een diepere structuur zichtbaar waarin we ervan uitgaan dat we beter zijn dan andere volkeren die zich verstrikt hebben in de duistere gang van zaken in deze wereld. De implicatie is dus dat we maar beter de eigen, historisch belaste identiteit kunnen afwerpen en überhaupt geen nationaal zelfbeeld ontwikkelen.

In Oost-Duitsland werd daarentegen een partieel, marxistisch-leninistisch nationaal bewustzijn gecultiveerd. De DDR zag zichzelf als culminatiepunt van het 'betere' deel van de Duitse geschiedenis.

Ook in de gemeenschappelijke veroordeling van de periode van 1933 tot 1945 zijn verschillen zichtbaar. In West-Duistland is men ertoe geneigd, alle schuld op zich te nemen. In Oost-Duitsland stond men in zekere zin aan de goede kant, omdat het communisme het fascisme overwon. Toegespitst: de Westduitse houding maakte een buitenlands beleid onmogelijk omdat ze een nuchtere definitie van het Duitse standpunt verhindert, terwijl het Oostduitse standpunt op geschiedvervalsing berustte.

De bepaling van een voor beide delen van het herenigde Duitsland maatgevende historische en politieke identiteit is in eerste instantie een eigen, Duits probleem. Maar het is ook voor onze buren van beslissende betekenis. Zij kunnen niet onverschillig zijn over de vraag hoe het nieuwe Duitsland met zijn toegenomen economische en politieke belang zichzelf ziet en hoe het zich vanuit dat zelfbeeld zal gedragen. Alleen als Duitsland een maatgevend en vanzelfsprekend zelfbeeld ontwikkelt kan het voor andere volkeren een betrouwbare partner en een berekenbare tegenstander zijn. Het goed begrepen zelfbeeld is dus ook in het belang van de andere volkeren. Het komt overeen met de wederkerigheid, want wij kunnen van onze kant van andere volkeren en in het bijzonder van onze buren verwachten dat ze bereid zijn ons werkelijk als volwaardige partners te erkennen. De andere kant van een niet-neurotisch Duits zelfbeeld is een niet-stigmatiserende houding van andere volkeren.

Vóór de eenwording waren beide delen van Duitsland feitelijk en volkenrechtelijk slechts beperkt soeverein: ze konden geen zelfstandige buitenlandse politiek bedrijven in de volle zin van het woord. Het herenigde Duitsland kan en moet nu in het concert der volkeren en in de concurrentie van denkbeelden in eigen verantwoordelijkheid zijn positie bepalen. Het kan zich niet meer, zoals vroeger de twee afzonderlijke delen, onderwerpen aan de wil van partners binnen een overkoepelend bondgenootschap en zich slechts bekommeren om hun ongedeelde toestemming. Daar komt bij dat de onoverzichtelijkheid van de situatie in de wereld zo'n gedrag ook niet langer toelaat. Dat onze belangen in de intern-Duitse discussie door middel van argumenten en tegenargumenten ter sprake komen en uiteindelijk door democratische beslissingsprocessen worden gedefinieerd is een stuk herwonnen normaliteit. In dit opzicht onderscheidt de toestand van Duitsland zich niet van die van andere naties.

Deze intern-Duitse discussie is pas mogelijk als er, boven de formele, methodische kant van het besluitvormingsproces uit, een inhoudelijke minimumconsensus over de principiële uitgangspunten bestaat. 'De Muur in het hoofd' verdwijnt pas werkelijk als de onderscheiden opvattingen in Oost- en West-Duitsland worden ontwikkeld in de richting van een in beide delen van het herenigde Duitsland geaccepteerd geschiedenis- en zelfbeeld. Zolang zo'n principiële consensus ontbreekt worden onvermijdelijk vruchteloze 'plaatsvervangende' conflicten uitgevochten, conflicten die niet te beslechten zijn omdat ze in werkelijkheid berusten op dieperliggende meningsverschillen.

Hier moet wel een mogelijk misverstand worden opgehelderd: het kan niet gaan om een wellicht van buiten opgelegd, voor eeuwig vastgelegd concept, op een ideologisch gegrondvest en inhoudelijk vastomlijnd geschiedenis- en zelfbewustzijn. Dat zou in strijd zijn met de openheid van het proces van intellectuele meningsvorming en de democratische spelregels die een onmisbaar element in ons culturele en politieke leven vormen. Het zal in concrete individuele gevallen steeds weer nodig zijn opnieuw positie te kiezen, afhankelijk van de wisselende omstandigheden. Maar zo'n nieuwe koersbepaling kan pas op vruchtbare wijze tot stand komen als we principieel weten waar we vandaan komen, wie we zijn en wat we willen.

De uiterste standpunten, waarom het hier gaat, zijn duidelijk. Het herenigde Duitsland kan niet, zoals de tot dusverre gescheiden delen, in de luwte van de wereldpolitiek blijven. Het kan en mag zich echter ook niet inlaten met gevaarlijke denkbeelden over nationale grandeur. Met een overdreven zelfbewustzijn zouden wijzelf en onze buren, die het buitenlands-politieke groeiproces van Duitsland kritisch volgen, net zo min zijn gediend als met een masochistische zelfvernedering. Beide uitgangspunten zouden slechts neerkomen op van verschilende omens voorziene varianten van een Duitse Sonderweg. Net als tussen individuen is tussen volkeren een draaglijk samenleven slechts mogelijk op basis van een bepaalde normaliteit. Dat sluit natuurlijke belangentegenstellingen en politieke meningsverschillen absoluut niet uit, maar deze normaliteit schept een basis, waarop ook bij concurrerende belangen vreedzame regelingen kunnen worden gevonden.

Tegenover deze normaliteit staat de morele veroordeling van Duitsland op grond van de misdaden van het Hitler-regime, een veroordeling die ook politiek wordt gebruikt om een gewenst gedrag te bewerkstelligen. De in West-Duitsland bestaande neiging om de politiek te vervangen door de moraal, berust op het streven de morele schuld voortaan op het veld van de politiek af te betalen. Maar in een wereld waarin alle anderen zich nuchter gedragen is dat geen zinvolle weg. Om tot een moreel integere en politiek realistische opvatting te komen zijn nuanceringen absoluut nodig. Dat is een dans op een slap koord. De in naam van Duitsland door Duitsers begane misdaden en wandaden moeten niet worden gebagatelliseerd en evenmin worden verdrongen, noch door verwijzing naar daden van anderen noch door de eis, nu eens op te houden met het bezweren van het verleden. Net als in het persoonlijke leven komt het er ook in het leven van volkeren op aan de herinnering aan het verleden te bewaren en tegelijk naar de toekomst te kijken, naar de gemeenschappelijke opgaven in Europa en de wereld. Concreet betekent dit dat Duitsland niet mag vervallen in een angstige collectieve drop-out-mentaliteit (“Daar doen we niet aan mee!”) maar zich evenmin de arrogante houding van de superman mag aanmeten. We kunnen ons met een beroep op de moraal niet onttrekken aan het 'meespelen' in politieke kwesties; we moeten echter de rol die ons daarbij toevalt met mate en met verstand bezien.

Het is realpolitisch gezien onverstandig de politiek te willen vervangen door de moraal. Maar als ideaal voor de manier waarop in de toekomst volkeren met elkaar omgaan kan van dit denkbeeld toch wel een positieve werking uitgaan. In de premisse dat Duitsland in het wisselspel van de volkeren geen streven naar nationale grandeur inbrengt ligt ook een kans. Als we geen toegespitst maar een terughoudend en zakelijk nationaal bewustzijn ontwikkelen kunnen we daarmee demonstreren dat volkeren ook op deze basis met elkaar kunnen omgaan. Deze zelfbeperking zonder zelfverloochening, dit juiste midden tussen zelfoverschatting en zelfvernedering, zou een wegwijzende functie kunnen hebben. Slechts op deze basis is dan ook een boven verbale verklaringen en bureaucratische beschikkingen uitgaande Europese eenwording denkbaar, waarin het herenigde Duitsland dan zijn plaats als volk onder de volkeren kan vinden.