De Vries verontrust over werkloosheid

DEN HAAG, 18 NOV. Minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) is verontrust over de jongste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de werkloosheid. “Het blijkt vooral te gaan om een toename van de kort durende werkloosheid. Dat duidt op een verlies aan werkgelegenheid”, zo zei hij gisteren in een reactie.

In augustus tot en met oktober bedroeg de geregistreerde werkloosheid gemiddeld 405.000. In de overeenkomstige periode van 1992 bedroeg de werkloosheid 307.000. In vergelijking met de voorafgaande driemaandsperiode steeg de werkloosheid in oktober met 24.000.

De plotselinge stijging kan volgens De Vries niet worden verklaard door een massale inschrijving van werkloze schoolverlaters. Het is niet het seizoen dat de schoolverlaters zich bij de arbeidsbureaus aanmelden, aldus De Vries. Ook CBS-onderzoeker dr. Van Bochove wijst deze mogelijke verklaring van de hand. Volgens hem is de stijging van de werkloosheid 'gewoon' een gevolg van de verslechtering van de werkgelegenheid.

Van Bochove onderstreept dat het aantal mensen dat korter dan een jaar werkloos is in vergelijking met een oktober 1992 met 72.000 is gestegen. De langdurige werkloosheid steeg met 27.000.

In de uitkeringen is een vergelijkbaar patroon te traceren. De toename van het aantal werkloosheidsuitkeringen komt volledig voor rekening van de WW (de zogeheten ontslagwerkloosheid). Het aantal RWW-uitkeringen (de uitkering voor schoolverlaters en langdurig werklozen) is in vergelijking met een jaar gelden niet toegenomen. Dat blijkt uit cijfers die de Sociale Verzekeringsraad eerder deze week bekend heeft gemaakt.

Traditioneel is de werkloosheid bij lager opgeleiden aanzienlijk hoger dan bij hoger gekwalificeerden, legt Van Bochove uit. In 1991 en 1992 was van de eerste groep 11 procent werkloos, en van de tweede groep 4 procent. Opvallend is dat dit beeld zich dit jaar wijzigt. De situatie van de lager opgeleiden is dit jaar niet verder verslechterd, terwijl de geregistreerde werkloosheid bij mensen met meer opleiding is gestegen.

Volgens de CBS-onderzoeker komt dit omdat bedrijfstakken waar relatief veel laag opgeleiden werken (horeca, dienstverlening) “zich relatief goed ontwikkelen”. In sectoren waar relatief veel hoog opgeleide mensen werken (nijverheid en industrie) vallen de klappen. Van Bochove zegt dat het verdringingseffect zich op langere termijn voordoet. Met andere woorden: het duurt nog even voordat de ingenieur bij McDonalds bedient en pas dan stijgt de werkloosheid onder de lager opgeleiden.

“Het verlies aan werkgelegenheid onderstreept dat het van het grootste belang is een succes te maken van het sociaal akkoord”, zegt De Vries. Het moet gaan om een forse matiging van de lonen. Verder moeten de collectieve arbeidsovereenkomsten die in 1994 doorlopen opnieuw worden bezien.

Volgens De Vries is een van de knelpunten aan de onderkant van de arbeidsmarkt dat het daar beschikbare werk vaak niet aantrekkelijk genoeg wordt gevonden voor het loon dat ertegenover staat. Ook de hoogte van de uitkering, de geringe opleiding van werkzoekenden en te hoge selectie-eisen van werkgevers spelen een rol.

De Vries heeft vandaag een commissie ingesteld die hem gaat adviseren over de verbetering van de zogenoemde onderkant van de arbeidsmarkt. Voormalig EG-commissaris F. Andriessen wordt voorzitter van de commissie. Behalve Andriessen zitten in de commissie de hoogleraren De Kam (Groningen), Theeuwes (Leiden) en Den Butter (VU Amsterdam), Berenschot-medewerker Van der Veen en directeur Goijert van de Arbeidsvoorziening Kennemer-, Amstelland en Meerlanden. De commissie zal in mei 1994 advies uitbrengen aan de minister.