De nieuwe oogst in blik; 608 auto's alfabetisch op een rij

Het nieuwe jaarboek van de KNAC, met alle auto's van 1994 is uit. Alle 934 modellen die volgend jaar in Nederland te koop zijn, staan erin. De snelste, duurste en goedkoopste.

Auto's zijn vervuilend, lawaaiig en gevaarlijk. Maar ze zijn ook prachtige knooppunten van design, levensstijl en moderne techniek. En bovenal is de auto de spiegel van de ziel. Wie dat ontkent, heeft nog nooit langs de Amsterdamse grachten geparkeerd.

'Alle auto's 94' door Ric van Kempen en Ralph Münzenmayer. 353 blz. Uitgeverij De Alk (Alkmaar). ISBN 90 6013 532 6. Prijs ƒ 15,90.

Behalve de vraag naar de zin van het leven, is er geen gewichtiger kwestie die een mens tijdens zijn verblijf op aarde moet oplossen dan het probleem welke automobiel te berijden. Het is een zaak waarbij hartverscheurende emoties, sociale aspiraties, esthetische overwegingen, maatschappelijke remmingen en de financiële realiteit heftig om voorrang strijden. Die innerlijke worsteling speelt zich in Nederland meer dan vierhonderdduizend keer per jaar af, en het is een worsteling die het waard is gestreden te worden. Een auto is immers de spiegel van de ziel, en wie dat ontkent, heeft nog nooit geprobeerd te parkeren langs de Amsterdamse grachten. Psychoanalytici hebben al lang geen divan meer nodig, zij kunnen volstaan met de diagnose: toon mij uw auto, en ik zeg u wie u bent.

Buiten dat zijn auto's vervuilend, lawaaiig, altijd gevaarlijk, en er zijn er vooral veel te veel. Dat neemt niet weg dat ze de essentie van de westerse cultuur belichamen: een auto is een unieke samenballing van technisch vernuft, artistiek design, moderne levensstijl, industrieel kunnen, economische expansie, menselijke mobiliteit en individuele territoriumdrift. Het is de automobiel, en niets anders, die ons onderscheidt van de afgelopen anderhalf miljoen jaar menselijke geschiedenis waarin het altijd autoloze zondag was.

Vast staat dat er in de nabije toekomst alleen maar meer auto's zullen komen. Dit hoeft geen betreurenswaardige ontwikkeling te zijn. In tegenstelling tot hetgeen vaak wordt gedacht, maakt het berijden van een auto niet slechts proleterig, en leiden files niet louter tot verhoogde agressie. Een en ander kan integendeel ook resulteren in geestelijke rust en een spirituele resignatie die nergens anders dan in de beslotenheid van de eigen auto is te bereiken. Zo kom ik alleen in de file op het idee om naar het BBC-Worldservice programma Words of Faith te luisteren, en wanneer dan eindelijk de motor zacht zoemend het ideale toerental bereikt, vervult de geest zich als vanzelf met gedachten aan vrede en intermenselijke verbroedering.

In zijn verhandeling Liefhebben, een kunst een kunde, 'Over de ontplooiing tot creatief mens-zijn', heeft Erich Fromm indertijd behartenswaardige woorden over die symbiose van mens en machine geschreven. Hij wijst erop dat de mensheid er heel wat beter voor zou staan als men een voorbeeld zou nemen aan de gevoeligheid die een automobilist doorgaans aan de dag legt voor zijn of haar auto. “Ieder ongewoon geluidje wordt opgemerkt”, schrijft Fromm terecht, “niet de kleinste verandering in de versnelling ontgaat de rijder.

Op dezelfde wijze is hij gevoelig voor, en reageert hij op veranderingen in het wegdek, op de bewegingen van auto's voor en achter hem.” De automobilist verkeert, zo gaat de cultuurcriticus voort, in een toestand van “ontspannen waakzaamheid en staat open voor alle veranderingen die iets te doen hebben met de zaak waarop hij is geconcentreerd: veilig rijden”. Waren wij maar even oplettend tegenover onze medemens als ten opzichte van onze auto, is de onontkoombare conclusie.

Veel tijd om over dat mooie inzicht na te denken, hebben we gelukkig niet, want zojuist verscheen het KNAC-autojaarboek Alle auto's 94, samengesteld door Ric van Kempen en Ralph Münzenmayer. In dit weelderig geïllustreerde naslagwerk staan de meer dan zeshonderd verschillende auto-typen die volgend jaar in Nederland verkrijgbaar zijn alfabetisch gerangschikt. Per type is er een overzicht van de technische specificaties, en ook kan men de prijs van het betreffende voertuig opzoeken.

Het is niet de fout van de Koninklijke Nederlandse Automobiel CLub dat het boekwerk enigszins melancholiek stemt. Dat komt niet omdat alle wagens tegenwoordig op elkaar lijken en in 1994 nog meer op elkaar gaan lijken. Liefhebbers maken wel gewag van de 'terreur van de windtunnel' die de ontwerpers zo aan banden legt dat een Hyundai niet van een Suzuki of een Mazda, laat staan van een Toyota is te onderscheiden. Nee, klinkt het dan, geef ons maar de tijd dat een topdesigner als Bertoni decennia lang aan de Citroën DS mocht schaven, zodat er ten slotte een echte hydraulisch geveerde déesse, een godin stond. Ik ben geen voorstander van dit soort nostalgie. Ieder tijdsgewricht krijgt de auto's die het verdient, en wat dat betreft, komen we er in dit fin de siècle niet eens bekaaid af.

Sterker nog: de weemoed die ik voel bij de modellen van 1994 heeft alles te maken met de enorm toegenomen kwaliteit van de hedendaagse auto. Ontworpen door computers en volgestouwd met elektronica raakt de auto steeds meer vervreemd van de menselijke berijder. Vroeger was het een hele kunst om in een Opel Kapitän levend je eindbestemming te bereiken, zag je nog menige omgewaaide Goggomobil bij het verkeersplein Hoevelaken, en had iedere auto een slinger om 's winters met spierkracht de motor aan te zwengelen. Nu heeft zelfs de goedkoopste Nissan Micra twee bovenliggende nokkenassen, een topsnelheid van 150 kilometer per uur, en een optie voor stuurbekrachtiging en Anti Blokkeer Systeem. Meer nog dan door het uniforme windtunnel-uiterlijk, raakt de lotsverbondenheid tussen mens en auto ontwricht door al dat technisch vernuft. Pech onderweg is steeds minder vaak zelf te verhelpen met een schroevedraaier en wat krachttermen.

Het nieuws op het autofront voor volgend jaar is overigens niet alleen van belang voor het straatbeeld, maar ook voor de politieke stabiliteit op ons continent. Zo zou het voor Fiat en Italië wel eens erop of eronder kunnen zijn met de nieuwe Punto, een gestroomlijnde hatchback middenklasser, die enigszins op de Honda Civic lijkt, en de (duurdere) vervanger wordt van de Uno. Als de Punto, die in negen modellen wordt geleverd (waarvan de 55 EL volgens fabrieksopgave zes versnellingen heeft), een sof wordt, staan het Italiaanse schiereiland sombere tijden te wachten.

Ook Mercedez Benz en Duitsland hopen op het wonder van herstel met de introductie van de nieuwe C-klasse. Deze 'Baby-Benz' mikt duidelijk ook op de hogere midden-markt, waarvoor de E-klasse (vanaf ƒ 78.700,-) veelal te duur is, maar die een auto vanaf ƒ 56.250,- met het onmiskenbare tank-achtige uiterlijk van een Mercedez net wel kan verteren. Eindelijk heeft de fabrikant de standaarduitrusting aan moderne maatstaven aangepast, zodat niet voor ieder knopje nog eens apart betaald hoeft te worden.

Nieuw in 1994 is eveneens de Aston Martin DB7, een sportmodel waarvan nog geen prijs bekend is. Hij rijdt tegen de 300 kilometer per uur, gebruikt bijna 10 liter benzine per honderd kilometer, heeft twee maal twee bovenliggende nokkenassen, vier kleppen per cilinder, moet elke 8000 kilometer terug naar de garage voor onderhoud, en lijkt eigenlijk verdacht veel op de Aston Martin DB6 die dertig jaar geleden furore maakte.

Heel wat modaler is de gloednieuwe Koreaanse auto die onder de zangerige naam Kia Zephia door het leven gaat. Het is een grote wagen die geënt is op de Mazda 323 sedan, minder opties heeft, maar met z'n ƒ 27.900 niet beduidend goedkoper is. Net zo nieuw doch van een geheel andere prijscategorie is de Maserati Gibli, die voor zijn ƒ 156.240 een zescilinder motor met dubbele turbo en achterwielaandrijving biedt. Op de foto heeft het model in de verte overigens iets weg van de Russische Lada Samara sedan (ƒ 20.975), maar dat zal wel gezichtsbedrog zijn.

Interessant nieuws voor degenen die een auto pure geldverspilling vinden, is het kersverse 1.9 GL Diesel model van het Poolse merk FSO, dat vorig jaar ongeveer 8 (acht) wagens in Nederland verkocht. De zuinige dieselmotor is van Peugeot, en daarom lijkt de ƒ 23.995,- voor deze vijfdeurs met achterwielaandrijving budgettair niet onverantwoord. Voorts worden in 1994 opvolgers verwacht voor de Volkswagen Polo, de Citroën AX, de Alfa 33, de BMW 7, de Lancia Thema, de Mazda 323, de Nissan Maxima, de Opel Omega, de Renault 21, de Subaru Alto en de Toyota Celica. Bovendien krijgen de Volvo 400, de Renault Clio, de Rover 400, de Nissan Primera, de Jaguar XJ6, de Hyundai Lantra, de Ford Siësta, en de Citroën XM een 'facelift'. Dat laatste geldt trouwens ook voor de Lotus Esprit, een twee-deurs coupé met een maximum motorvermogen van 225 kilo-Watt (bijna 300 pk), die in 4,8 seconden honderd kilometer per uur bereikt, en nu onder het motto 'verbeterd en goedkoper' vanaf ƒ 199.749 om uw liefde smeekt.

Zo biedt Alle auto's 94 veel leerzaam leesvoer. Het is fijn te weten dat de goedkoopste auto in Nederland de Lada 2105 is (een rechthoekige, vierdeurs auto die niet zuinig rijdt maar slechts ƒ 13.975,- kost), en dat de duurste de Rolls Royce Silver Spur II Limousine is (ƒ 925.810, inclusief brandstofverbruik van bijna 1 op 4). Nog aardiger is het echter om te merken dat de KNAC zichzelf nog altijd omschrijft als 'club van ware automobilisten'.

Dat doet onwillekeurig denken aan de opmerking van de historicus Johan Huizinga over de KNAC in een brief die hij in september 1944 naar zijn zwager Jan Kees Schorer schreef. Het epistel lijkt veeleer, zo signaleert J. van Groningen, die de tekst vorig jaar in eigen beheer uitgaf als J. Huizinga, Mijn eerste autorit, op een literaire schets. Schorer was een van de eerste autobezitters in Nederland (hij had nummerbord 36), en het ritje dat Huizinga met hem maakte in de zomer van 1900 was dan ook heel bijzonder. De betreffende auto was een Benz Comfortable, met een ééncilindermotor van 3 pk. en een topsnelheid van 25 kilometer per uur (met wind mee). Als toeter fungeerde een bel, en remmen deed je door met de hand een remblok tegen de band te drukken.

Huizinga had wel schik in zijn eerste autorit: “De boeren stoven bij het naderen van het monster meters ver van den weg af, onder het slaken van luide verwenschingen (...) ik was zo trotsch als een pauw, dat ik in een auto gereden had.” Bovendien meldde hij dat “een echte automobilist niet, zooals het groote publiek, 'knac' zegt, maar van “de automobiel club' spreekt”. En dat doet het genootschap dus blijkens Alle auto's 94 nog steeds.

Niet dat ik ooit erover zou piekeren lid te worden van deze club, want tegenover auto's houd ik ambivalente gevoelens. Het is zoals Catullus schreef: Odi et amo (of was het Audi et Ami?), ik haat en bemin tegelijkertijd. Ik behoor tot het slag mensen dat beter de autosoorten dan de vogelmerken uit elkaar weet te houden. Daar ben ik niet trots op, maar ik kan er niets aan doen dat de geur van een tankstation langs de autostrada, waarin dieseldampen, veel te dure capuccino, zweet, urine en uitlaatgassen zich mengen, onweerstaanbaar is.

Tegenwoordig rijd ik, als teken des tijds, in het modale gemiddelde van alle middenklasse auto's: de Nissan Sunny Diesel 2.0. Iedere ochtend kijk ik in die spiegel van mijn ziel, en geniet dan telkens weer van het grote wonder: hij doet het.