Bijscholing

UD heeft een brief gekregen waarin staat dat hij een tweedaagse cursus moet volgen. Die cursus, taakgericht onderwijs in groepen (TGOG) leert docenten studenten zelfstandig te leren werken. De cursus is verplicht, althans, kan in de toekomst verplicht worden gesteld en voor een onderwijsbevoegdheid vereist zijn dan wel een rol spelen bij eventuele bevorderingen.

Maar UD hoeft niet te worden aangespoord. Het lijkt hem fijn om te leren studenten zelfstandig te leren werken met behulp van taken. Studenten willen ook graag taken, zo weet hij uit ervaring, dan kunnen ze iets uitvoeren.

Op een maandag fietst UD de polder in, waar het Universitair Instituut voor Pedagogische Didaktiek is gevestigd in een nieuw, houten gebouw met vrolijke kleuren. Er doen nog vier anderen aan de cursus mee. De leidster heet Johanneke. Ze zegt dat de cursus zwaar zal zijn en legt dan uit dat TGOG uitgaat van de zelfwerkzaamheid van studenten en die tegelijkertijd bevordert. De docent hoeft eigenlijk niets anders meer te doen dan het proces te begeleiden en soms stimulerend op te treden.

In het eerste rondje zegt UD dat hij dat jammer vindt. Hij wil graag stimuleren, maar zou hij niet soms ook nog iets aan de studenten mogen vertellen? Zij moeten toch leren wat hij weet? Johanneke legt uit, dat dit een begrijpelijke reactie is, al vindt ze het nogal behoudend. Lesgeven volgens het confrontatiemodel streelt alleen de ijdelheid van de docent, terwijl het studenten tot kritiekloze consumenten van informatie maakt. Dat zal ze later opbreken in de maatschappij.

TGOG gaat uit van een onderwijsmodel dat ook in Amerika gebruikt wordt. Het heet Hoedje van Papier, omdat elke taak in vier stappen wordt uitgevoerd. Het hoedje staat voor het leerresultaat dat met elke taak bereikt wordt, metaforisch dan. Johanneke stelt voor dat ze het liedje één keer zingen, zodat iedereen het zich weer herinnert. Langzaamaan begint UD er iets in te zien.

    • Maarten Doorman