Bedrijfsverenigingen hebben geen toekomst

DEN HAAG, 18 NOV. Bedrijfsverenigingen, de organisaties die al vele jaren de sociale verzekeringen uitvoeren, hebben hun langste tijd gehad. Het debat in de Tweede Kamer met de parlementaire enquêtecommissie die de uitvoering van deze wetten (zoals WW, WAO en Ziektewet) heeft onderzocht, leidt tot deze conclusie.

De Tweede Kamer kiest unaniem voor uitvoering van de sociale zekerheid op regionaal niveau. Commissie-voorzitter Buurmeijer noemde vanochtend in de Kamer deze keuze “van groot belang voor de toekomstige ontwikkeling”. Onduidelijk blijft in hoeverre sociale partners bij de uitvoering een rol zullen blijven spelen; de Kamer is daarover zeer verdeeld.

Bedrijfsverenigingen worden gezamenlijk bestuurd door werkgeversorganisaties en vakbonden en zijn bedrijfstakgewijs opgezet. Ze hebben op hun terrein een monopoliepositie, bedrijven zijn er verplicht bij aangesloten. Het kabinet heeft in zijn voorstel over de organisatie van de sociale verzekeringen (WAO, WW, Ziektewet) juist wel voor het voortbestaan van de bedrijfsverenigingen gekozen, zij het dat in het vervolg onder onafhankelijk toezicht gebeurt.

De Commissie-Buurmeijer heeft in haar aanbevelingen niet gepleit voor het opheffen van bedrijfsverenigingen, maar wel aangegeven dat zij geen publiekrechtelijke functies meer moeten vervullen en dus de facto hun bestaansgrond verliezen. Buurmeijer zei vanmiddag dat mogelijk over twee jaar bedrijfsverenigingen zijn verdwenen en dan nog slechts hun administratiekantoren (zoals het GAK), die op de markt zullen moeten concurreren, overblijven.

In de Tweede Kamer bleek gisteren alleen het CDA nog een taak voor de bedrijfsverenigingen te zien, al gaf het Kamerlid Wolters toe dat deze “gering” zal zijn. De CDA-fractie vindt dat de 19 bedrijfsverenigingen geclusterd moeten worden om vervolgens op regionaal niveau tot samenwerking te komen.

Buurmeijer wees vanmiddag op de samenhang die er bestaat tussen de omstreden aanbevelingen van zijn commissie over de WAO en de Ziektewet. De commissie wil af van de situatie dat de kosten van WAO en Ziektewet gemakkelijk kunnen worden afgewenteld op de premies. Een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid moet alleen “in uiterste nood” worden gegeven, zei Buurmeijer. Dit betekent dat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte bij zijn werkgever in dienst moet blijven. Hij krijgt geen recht op een WAO-uitkering; zijn baas mag hem slechts ontslaan als hij kan aantonen geen werk voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte te hebben, een beslissing die de werknemer bij de rechter kan aanvechten.

Bovendien beveelt Buurmeijer aan de Ziektewet af te schaffen. In plaats daarvan krijgen werkgevers de wettelijke verplichting anderhalf jaar lang een zieke werknemer het minimumloon door te betalen. In de wet die volgend jaar van kracht wordt, krijgen bedrijven die plicht al voor de eerste zes weken (of twee weken als ze niet meer dan 15 werknemers in dienst hebben). Buurmeijer wees er vanmiddag ook op dat wanneer een werknemer langer dan zes weken ziek is, hij een relatief grote kans loopt in de WAO te belanden. “Dat perspectief moet worden gekeerd.” Juist daarom moet volgens hem de periode dat de werkgever de werknemer moet doorbetalen veel langer worden en daarmee diens betrokkenheid bij het lot van de zieke werknemer. Op bedrijven “moet druk komen opdat ze de mensen aan het werk houden”.