Zorgen over moorden op Iraanse opposanten

LONDEN/ NEW YORK, 17 NOV. Zowel de internationale mensenrechtenorganisatie Amnesty International als de Commissie voor de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties heeft de afgelopen dagen grote bezorgdheid geuit over het toenemend aantal kennelijk in opdracht van Teheran gepleegde moorden op Iraanse ballingen. Tevens wezen beide organisaties op verdere schendingen van de mensenrechten in Iran, zoals folterpraktijken, oneerlijke processen en excessief gebruik van de doodstraf.

De afgelopen jaren is een groot aantal Iraanse opposanten in het buitenland vermoord, waarbij in vele gevallen bewijs is gevonden van betrokkenheid van de Iraanse geheime dienst. “Talrijke Iraniërs in ballingschap leven in permanente angst te worden vermoord, een dreiging waarmee ook buitenlandse staatsburgers te maken hebben, zoals de Britse schrijver Salman Rushdie”, zo schrijft Amnesty. Rushdie is in 1989 door de toenmalige Iraanse geestelijk leider imam Khomeiny ter dood veroordeeld en leeft sindsdien ondergedoken. Inmiddels zijn aanslagen gepleegd op vertalers en uitgevers van zijn werk, het meest recent op zijn Noorse uitgever, die daarbij vorige maand ernstig werd gewond.

De VN-Commissie noemt in een maandag uitgekomen rapport van haar speciale rapporteur voor Iran, Reynaldo Galindo Pohl, als een van de meest recente acties van Teheran de moord op Behran Azadfer, een Iraanse Azeri-leider die op 28 augustus in de Turkse hoofdstad Ankara de dood vond. Een dag eerder was in Turkije een andere Iraanse opposant, Mohammed Ghaderi, ontvoerd. De Turkse regering heeft Iran ook verantwoordelijk gesteld voor de moorden op enkele Turkse staatsburgers die bekendstonden als tegenstanders van door Iran geïnspireerd moslim-fundamentalisme.

Amnesty en de VN-Commissie noemen nog verscheidene andere gevallen, waarvan de moorden op vier Iraanse Koerden-leiders in 1992 in Berlijn en die op de Iraanse ex-premier Shahpour Bakhtiar en zijn secretaris in 1991 bij Parijs de meest geruchtmakende zijn. In Berlijn is eind oktober het proces begonnen tegen drie Libanezen en een Iraniër die van de moorden op de Koerden worden beschuldigd. Het Duitse openbaar ministerie is tot de conclusie gekomen dat de Iraanse geheime dienst voor de moorden verantwoordelijk is, en heeft ook geprobeerd om de Iraanse minister voor de inlichtingendiensten, die vorige maand een omstreden bezoek aan Duitsland bracht, daarover te horen. De regering in Bonn, die tot openlijke woede van de VS en Groot-Brittannië een wat wordt genoemd “kritische dialoog” met Teheran voert, heeft dat echter verhinderd.

Volgens de Iraanse regering op haar beurt geven de mensenrechtenorganisaties te veel aandacht aan “de ongeloofwaardige propaganda” van oppositiegroepen. Beter kunnen zij zich concentreren op Irans “reusachtige humanitaire inspanningen” om de miljoenen vluchtelingen uit de oorlogsgebieden in de regio onderdak te bieden. (Reuter, AP, AFP)