Waarborg pensioen krijgt voorrang bij bankroet

ROTTERDAM, 17 NOV. Bij een faillissement van een onderneming moeten de pensioengelden van de werknemers eerst veilig worden gesteld. Fiscus, bedrijfsvereniging en andere schuldeisers zijn pas daarna aan de beurt.

Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad in een procedure die door de Unie BLHP was aangespannen namens een werknemer die was betrokken bij het faillissement van de Kok Groep Nederland. De uitspraak heeft volgens de vakbond verstrekkende gevolgen voor de afwikkeling van veel andere faillissementen.

Toen de Kok Groep in 1989 failliet ging, bleek dat de pensioenen van een groot aantal medewerkers niet volledig waren 'afgefinancierd'. Op grond van een wetswijziging uit 1987 is een werkgever bij het einde van een dienstbetrekking tot een dergelijke affinanciering verplicht. Indien een arbeidsovereenkomst eindigt voordat een werknemer met pensioen gaat, moet de werkgever een pensioen meegeven dat een bepaald percentage bedraagt van het laatst genoten inkomen. Bij zo'n tussentijds ontslag - in het geval van faillissement door de curator - heeft de werkgever echter in de regel te weinig pensioenpremie afgedragen om aan deze toekomstige pensioenverplichtingen te voldoen. De failliete onderneming beschikt doorgaans niet over voldoende geld om de benodigde pensieonpremie alsnog af te dragen, met als gevolg dat de voormalige werknemers later minder pensioen ontvangen. De Kok Groep had bij faillissement een affinancieringsschuld van ongeveer 900.000 gulden.

In de procedure stelde de vakbond zich op het standpunt dat bij een faillissement de verplichting tot volstorting van de pensioenpremie moet worden aangemerkt als boedelschuld. Daarmee zou de aflossing van deze schuld voorrang krijgen boven aanspraken van fiscus, bedrijfsvereniging en andere schuldeisers. De Hoge Raad volgt in zijn arrest van 12 november deze interpretatie van de wet.

“Voorheen dreigde het geld dat bij een faillissement nog beschikbaar was volledig aan de neus van de werknemers voorbij te gaan. Met deze uitspraak van de Hoge Raad is de kans daarop wat betreft de pensioenen gelukkig weer sterk verkleind”, aldus juridisch medewerkster mr. E.S. Karel van de Unie BLHP. Van belang is volgens de bond wel dat de verplichting tot 'affinanciering' van de pensioenen alleen geldt voor werknemers die door de curator zijn ontslagen en niet voor werknemers die het faillissement niet hebben afgewacht, maar zelf ontslag hebben genomen.