STAN speelt 'Danton' maar kiest voor de geest van Robespierre

Voorstelling: 1794 naar Dantons dood van Georg Büchner door STAN. Spel: Jolente De Keersmaeker, Sara De Roo, Frank Vercruyssen, Damiaan De Schrijver, Willy Thomas, Waas Gramser, Kris Van Trier, Mieke Verdin. Gezien: 14/11 Lantaren/Venster, Rotterdam. Van 18 t/m 20/11 Toneelschuur Haarlem, 30/11 t/m 4/12 De Brakke Grond, Amsterdam.

Het Vlaamse Toneelspelersgezelschap STAN heeft een hekel aan decors, kostuums en rekwisieten. Alleen door radicale kaalslag vestig je de aandacht op de tekst, meent STAN. In 1794 staan de spelers, die mottige wintermantels en afgetrapte wandelschoenen dragen, zo ver mogelijk van elkaar af in een immense ruimte. Het tafereel oogt als een woestenij en dat lijkt een dramaturgisch verantwoorde keuze. Een van de kernzinnen in 1794 luidt immers: “Alles is woest en ledig - ik ben alleen.”

Toen Büchner in 1835 Dantons dood schreef, het drama waarop 1794 gebaseerd is, werd hij door de politie gezocht. De amper 22-jarige student uit Darmstadt had in een pamflet tegen de uitbuiting van de boerenbevolking geprotesteerd. Büchner was een bevlogen revolutionair, maar tegelijkertijd een aartstwijfelaar. Hij voelde zich 'verpletterd door het gruwelijke fatalisme van de geschiedenis'.

In het stuk lijkt de wanhoop van Danton op die van zijn auteur. Danton, een van de kopstukken van de Franse Revolutie (1794), wordt gekweld door de herinnering aan de gruwelijke 'septembermoorden' die hij op zijn geweten heeft. Hij sluit zich aan bij de gematigden, die een einde aan het bloedvergieten willen maken. Maar Danton heeft geen zin meer om voor hen te vechten. Hij verruilt de ethiek van het geweld voor de ethiek van het genot, ofschoon hij weet dat hij daar vijanden mee zal maken: “Het volk haat genieters als een eunuch de man.”

Dantons tegenspeler Robespierre predikt een heel ander evangelie: “Het wapen van de republiek is de terreur, de kracht van de republiek is de deugd.” Robespierre overleeft deze tweestrijd, maar Danton is, hoewel terechtgesteld, de morele winnaar.

De parallellen van 1794 met 1993 en 1994 zijn duidelijk: het vreugdeloze fundamentalisme van Robespierre, zijn vreemdelingenhaat en vernietigende systeemdenken - dat alles moet als afschrikwekkend voorbeeld dienen.

Hoewel de tekst van 1794 nauwelijks afwijkt van die van Büchner, lijkt het om een ander stuk te gaan. De meer dan vijftig personages die Dantons dood bevolken, worden bij STAN door acht acteurs gespeeld. Omdat zij er allemaal min of meer identiek uitzien, met vrijwel dezelfde kleding, dictie en gebaren, is het onmogelijk een band te voelen met de afzonderlijke karakters. Verwarrend is ook dat sommige vrouwen mannenrollen spelen; ik moest even wennen aan Jolente De Keersmaeker als Danton.

De acteurs dragen zendmicrofoontjes bij zich die hun stemmen iets hols en onnatuurlijks geven. De tekst wordt er zelfs ietwat pathetisch door, iets waarvoor STAN toch een gezonde allergie heeft opgebouwd. Deze onpersoonlijke manier van praten past heel goed bij de vele redevoeringen die in het stuk worden gehouden, maar niet bij de meer intieme gesprekken of bij de scènes die zich op straat en in het bordeel afspelen. Waar een scène precies is gesitueerd, valt toch al moeilijk te zien omdat er geen changementen worden uitgevoerd.

In 1794 heerst juist niet de geest van de door STAN zo bewonderde Büchner of van Danton. Hier heerst de geest van Robespierre. De humor, zinnelijkheid en vulgariteit, de poëzie en levensvreugde en al het andere dat Büchners tekst, ondanks zijn pessimisme, zo speels en menselijk maakt, is radicaal weggesneden. Wat overblijft, is een starre vertoning zonder leven en zonder ziel.

    • Anneriek de Jong