Slagschimmen in de Amsterdamse binnenstad bij nacht

Lijdensweg. Ned.3, 23.21-0.06u.

In Lolamoviola, de serie waarvoor de VPRO nog onbekende cineasten vroeg een korte film te maken voor een beperkt budget, wordt vanavond Lijdensweg vertoond, van Karim Traïdia, die in de zomer van 1991 veel indruk maakte met zijn Filmacademie-eindexamenfilm De onmacht. Traïdia maakte het zich niet gemakkelijk: zijn verhaal heeft een hoofdpersoon die op weinig sympathie kan rekenen - een vader die zijn zoon vermoordde - en hij besloot in beeld te brengen wat er zich afspeelt binnen in de malende hersens van die vader. Hij verzekerde zich van de medewerking van een mooie acteur voor de rol van de vader (de Marokkaanse Mnine Houcine) en koos als cameraman Nestor Sanz, die eerder voor Alejandro Agresti bewees in staat te zijn een subjectief universum te creëren met film en licht. Het resultaat is weerbarstig en meeslepend: Karim Traïdia maakte met Lijdensweg een mooie film.

Traïdia werd geboren in Algerije en zijn afkomst bepaalt zijn stijl. “Een Nederlands kind is vrij, het mag impulsief zijn. Daardoor leert het minder op te letten dan een Algerijns dorpskind. Dat leert kijken in het verlengde van onvervulbare verlangens”, zei hij in 1991 in een interview met deze krant.

Dat in zijn film een zoon wordt omgebracht door zijn, Noordafrikaanse, vader komt voort uit afkeer, maar die vader pleegt geen daad van agressie. De jongen hield zich niet aan de regels die de vader stelde, die een vader hóórt te stellen en die een zoon hóórt te gehoorzamen. Omgekeerd liet de vader zijn zoon opgroeien in Nederland zonder op het idee te komen om de gevolgen voor de ideeën en het gedrag van zijn zoon daarvan te aanvaarden. De vader zag zich aangetast in zijn wezen, de zoon ook. Traïdia zorgde ervoor dat geen van beiden aardig of sympathiek zijn. Ze lijken op elkaar, ze zijn even onverzettelijk en bij het handgemeen hadden de rollen net zo goed omgedraaid kunnen zijn.

Maar Lijdensweg draait niet om de anecdote, hoe gruwelijk die ook is. Het geweld wordt samengevat in een spel van slagschimmen, de stemmen in het hoofd van de vader zijn veel belangrijker. Hij scharrelt door de wereld van zijn dode zoon: de Amsterdamse binnenstad bij nacht, tussen de loeiende trams, de neonverlichting die strepen trekt op zijn onwillige netvlies, de lichamen van luidruchtige jonge mensen omstuwen hem. Daarna zit hij thuis. In verwrongen herinneringen hoort hij echo's van de woorden van hulpverleners die de rechter uitlegden wat het conflict met zijn zoon voor hem betekende. Hij herleeft in bijna abstracte kijkdoosbeelden de momenten dat zijn zoon hem (hem!) uitschold met Nederlandse scheldwoorden waarvan hij het equivalent in zijn eigen taal niet eens kent. Dan vallen zijn hersens stil. “Is het echt zo gebeurd, vader?” hoort hij zijn zoon vragen. Hij weet het niet.

    • Joyce Roodnat