Opheffing theologiefaculteit schaadt de universiteit

De Nederlandse universiteiten bevinden zich in een lang en ingewikkeld proces van reorganisatie en heroriëntatie, waarin ook de vier theologische faculteiten aan openbare universiteiten zijn betrokken. Er worden ingrijpende beslissingen voorbereid over het aantal en de inrichting van deze faculteiten. De vraag is of theologie al dan niet aan de universiteit thuishoort.

Moet theologie in de toekomst een plek aan de universiteit houden? Universiteiten zijn instellingen voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Als theologie kennis over God aanbiedt, zoals de naam doet vermoeden, hoort zij aan de universiteit niet thuis. Kennis is pas wetenschap als zij te controleren is. Uitspraken over God lenen zich niet voor toetsing - tenzij men het eind der tijden een geschikt toetsingsmoment acht. Geen wonder dat er geregeld stemmen opgaan de theologie als academische discipline af te schaffen. Voor beroepsopleidingen is er het HBO. Daar kan desgewenst ook de scholing van predikanten plaatsvinden: de universiteit is er voor de wetenschap. Voor zover er echt wetenschappelijk onderzoek aan de theologische faculteiten wordt gedaan kan dat een plaats vinden in instituten voor godsdienstwetenschap, naar het model van de angelsaksische Departments of Religion.

De redenering lijkt uitsluitend, en opent bovendien het perspectief van een besparing; een bescheiden besparing, dat wel, want theologische faculteiten zijn niet groot en verhoudingsgewijs goedkoop. Toch zou de opheffing van de theologie een gevoelig verlies betekenen voor de universiteit. Zij vertegenwoordigt een intellectuele traditie die, met de andere humaniora, de universiteit tot hoedster van menselijke beschaving maakt. De oprichting van een godsdienstwetenschappelijk instituut kan zo'n verlies niet compenseren. Als zulke instituten al geen verkapte opleidingen van geestelijken zijn, zoals in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk dikwijls het geval is, hebben zij in geen geval de interdisciplinaire meerwaarde van de theologie.

Het is een - helaas hardnekkig - misverstand dat de wetenschappelijke theologie zich bezig zou houden met kennis over God. Dat geldt in geen geval voor de theologie zoals die beoefend wordt aan de openbare universiteiten. De mensen die daar werken brengen hun studenten geen kennis bij over God maar over godsdienst in al zijn facetten. Zij zijn benoemd op grond van hun wetenschappelijke merites, ongeacht hun persoonlijke levensovertuiging. Dat zij meer het christendom bestuderen dan niet-christelijke religies is waar, maar doet aan de openheid van hun benadering niets af. Er is geen principiële reden om niet op dezelfde manier aan andere godsdiensten aandacht te geven. Dat laatste gebeurt trouwens in ruime mate. Zo kent de theologische faculteit van Leiden, in nauwe samenwerking met de faculteiten der letteren, een gespecialiseerde opleiding tot islamoloog. Dergelijke samenwerkingsverbanden met andere faculteiten waarin afzonderlijke onderzoekers zich ook met godsdienst bezig houden verdienen stimulering. Het godsdienswetenschappelijk onderzoek kan er alleen maar bij winnen. In tegenstelling tot uitspraken over God kunnen uitspraken over godsdienst, en over wat godsdiensten van hun god(en) zeggen, wel degelijk deel uitmaken van de taal van de wetenschap in de gangbare zin van dit woord.

Zijn de theologische faculteiten dan niet reeds instituten voor godsdienstwetenschap? Inderdaad, eigenlijk wel. De namen 'godgeleerdheid' en 'theologie' zijn in dat opzicht een overblijfsel uit vroeger tijden. Toch zullen zij niet snel losgelaten worden omdat zij nog het best de breedte van het onderzoeksterrein dekken. Sinds het eind van de vorige eeuw is de godsdienswetenschap een van de vakken die aan de theologische faculteit worden beoefend. Daarnaast zijn er aparte vak- en onderzoeksgroepen voor de studie van het Oude Testament, het Nieuwe Testament, de kerkgeschiedenis, de wijsbegeerte van de godsdienst en de ethiek, en de godsdienstsociologie en -psychologie. Al die vakken hebben de spelregel van de godsdienstwetenschap, geen oordeel te geven over waarde en waarheid van ontoetsbare voorstellingen, in hun handvest geschreven. Als vak hebben zij echter elk ook een eigen gezicht, en voor hun onderzoek een eigen instrumentarium. Mits die diversiteit gerespecteerd wordt zou er weinig op tegen zijn de theologische faculteiten voortaan faculteiten der godsdienstwetenschap te noemen.

Toch is meer aan de hand dan een kwestie van benaming. Als de afschaffing van de theologische faculteiten en de oprichting van godsdienstwetenschappelijke instituten niet meer is dan een naamsverandering is verdere discussie overbodig. De eventuele metamorfose in een instituut voor godsdienstwetenschap heeft voor de theologische faculteit echter ingrijpender gevolgen. Die zijn misschien niet noodzakelijk, maar wel waarschijnlijk. Zij betreffen de band met de kerkelijke theologische opleiding en, in samenhang daarmee, de dreigende verbrokkeling van het onderzoeksperspectief.

Een band tussen kerk en universiteit is gegeven met het feit dat verschillende kerken (waaronder de Nederlandse Hervormde Kerk) van hun aanstaande predikanten een academische opleiding theologie verlangen. Die opleiding is strikt wetenschappelijk en wordt daarom aangevuld in een aantal kerkelijke vakken, zoals dogmatiek en praktische theologie. Voor de opleiding en het onderzoek in die vakken benoemt de kerk aparte hoogleraren. In onderscheid tot de door de universiteit benoemde staf werken zij niet in maar bij de theologische faculteit. Het verschil in voorzetsel onderstreept de onderscheiden verantwoordelijkheid. Dat neemt niet weg dat de betrekkingen tussen kerkelijke opleiding en theologische faculteit nauw zijn. Meer dan de helft van de studenten aan de theologische faculteit volgt ook de kerkelijke opleiding. Zij zijn uit hun persoonlijke overtuiging sterk betrokken bij kerk en theologie. Bij het volgen van het academische theologische onderwijs brengen zij met hun vragen en doorvragen die persoonlijke betrokkenheid in. Een vergelijkbare wisselwerking tussen wetenschappelijk onderzoek en persoonlijke betrokkenheid doet zich voor bij de samenwerking tussen faculteit en kerkelijke opleiding.

Deze constructie met twee verdiepingen, bekend als de duplex ordo, is voor de theologie aan de openbare universiteiten gezichtsbepalend. In weerwil van de soms felle polemieken hebben beide partijen, universiteit en kerk, er belang bij. De academie voorkomt dat de predikantsopleiding ontaardt in het aanleren van leerstukken en vaardigheden. Omgekeerd zorgt de kerkelijke betrokkenheid bij de faculteit ervoor dat de academische theologie (die eigenlijk godsdienstwetenschap is) zich niet verliest in trivialiteiten. Natuurlijk zou het einde van de nabijheid van de kerk ook funest zijn voor de instroom van studenten aan de universitaire opleiding theologie. Daarop zou men desnoods nog kunnen reageren met een afgeslankt onderzoeksinstituut onder het motto 'klein maar fijn'. Maar ten minste zo ernstig als een terugval in aantallen studenten zou de inhoudelijke verarming van de theologie zijn. De academische theologie ontleent haar kracht (en een groot deel van haar maatschappelijk belang) aan het feit dat zij een ongebonden reflectie is op een verschijnsel dat veel mensen persoonlijk, en de samenleving als geheel, raakt. Als niemand zich nog iets van godsdienst aantrok zou de bestudering van het verschijnsel veel van zijn betekenis verliezen.

Er is nog een andere reden waarom de universitaire theologie gebaat is bij een vorm van samenwerking met de kerken. De eenheid van de theologie als academische discipline is gegeven met haar object van onderzoek: godsdienst. Daaraan zitten een filologisch-literaire, een historisch-beschrijvende, een systematisch-filosofische en een sociaal-psychologische kant. Voor elk van die aspecten zijn er specialisten aan de faculteit. Hun onderscheiden disciplines vullen elkaar aan, en zijn in veel opzichten zelfs op elkaar aangewezen; tegelijk worden zij van elkaar weggetrokken. Die spanning tussen de hang naar eenheid en de neiging tot fragmentatie komt op het conto van een methodologisch pluralisme. Theologen ontlenen hun onderzoeksmethoden aan de literatuurwetenschap, de antropologie, de filosofie, en verschillende andere disciplines. Dientengevolge staan zij met de ene voet in het vakgebied van de theologie, en met de andere in het vakgebied van hun specialisatie. Het enige wat het uiteenvallen van de disciplines tegengaat is het gemeenschappelijk belang bij het te bestuderen object: het verschijnsel godsdienst. Deze gemeenschappelijke oriëntatie wordt in belangrijke mate versterkt door de relatie met de kerkelijke opleiding. Die bepaalt de academische theologie voortdurend bij de kern van haar onderzoeksobject.

Het samengaan van de verschillende theologische disciplines is voor de theologie in de zin van godsdienstwetenschap onopgeefbaar. In de theologische faculteit heeft interdisciplinariteit zeer oude papieren. Hier is het geheel meer dan de som van de delen. Zonder de voeding uit de literaire disciplines zou het onderzoek van de systematici aan bloedarmoede gaan lijden; zonder sociaalwetenschappelijke inbreng zouden de historische vakken een schimmenspel beschrijven; zonder godsdienstfilosofie zou godsdienstwetenschap aan analytisch vermogen verliezen. Een uiteengaan van de disciplines naar verschillende faculteiten en instituten zou weliswaar geen principieel obstakel zijn voor zo'n interdisciplinariteit, maar in de praktijk zou er van de nu bestaande wisselwerking weinig overblijven. En het is juist die wisselwerking, gestimuleerd door de samenwerking met de kerk, die theologie en godsdienstwetenschap hun interdisciplinaire meerwaarde bezorgt.

De academische theologie, zoals beoefend aan de openbare universiteit, vertegenwoordigt een intellectuele traditie die bij het uiteenvallen van het onderzoek zou verschralen en misschien verdwijnen. Deze traditie kenmerkt zich zowel door vrijheid van inmenging van de kant van de kerken of andere godsdienstige groepen, als door een scherp oog voor wat er in kerk en godsdienst leeft. Die betrokkenheid bepaalt de relevantie van het theologische bedrijf. Godsdienstwetenschap - want zo moet het begrip theologie hier worden opgevat - ontleent haar zin aan het bestaan van religie, zoals zij impliciet of expliciet aanwezig is in de samenleving. Met behoud van de academische vrijheid is de agenda van het onderzoek afgestemd op de vragen die daardoor worden opgeroepen. Of het nu gaat om verschijnselen als profetie of mystiek, het begrip openbaring, of de functie van religie - zulke vragen richten zich tot het geheel van de theologie, en kunnen uitsluitend in een interdisciplinair kader worden onderzocht. De verbrokkeling van de theologie zou het debat over dergelijke kwesties tot borrelpraat reduceren. Het zou misschien een besparing opleveren; maar dan wel een besparing ten koste van het universitaire ideaal om met de humaniora heel de mens te bestuderen.

    • H.J. de Jonge
    • H.J. Adriaanse
    • K. van der Toorn